De
beruchte Duitse Staatsman Adolf Hitler werd geboren op 20 april 1889 in Branau
am Inn, Oostenrijk. Op 28 maart 1933 gaf de Duitse Rijksdag hem dictatoriale
macht; meteen het begin van één van de meest dramatische perioden uit de
geschiedenis van de mensheid.
Deze Duitse nationaal-socialistisch staatsman en dictator, was de zoon van
Alois Schicklgruber, een Oostenrijks douanebeambte, die eerst als
buitenechtelijk kind de naam van zijn moeder droeg, maar zich sedert 1877 Hitler
noemde, en diens nicht Klara Poelzl.
Jeugd
Hitler
bezocht de Realschule te Linz, maar voltooide de school niet. De verhouding met
zijn vader, die hem
tot een beambtenloopbaan had voorbestemd, was gespannen. Hij wilde schilder
worden, maar werd door de Academie voor Beeldende Kunsten te Wenen tweemaal
afgewezen wegens gebrek aan talent. Na de dood van zijn moeder (1 908)
vertrok hij weer naar Wenen, waar hij een ongeregeld leven leidde, dat hij na
1913 in München voortzette tot in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak,
die hem de kans gaf zich als vrijwilliger te melden. Volgens eigen zeggen was
hij toen, 25 jaar oud, in aanraking gekomen met het Duitse nationalisme en had
hij reeds een heftige antipathie tegen het marxisme opgevat. Mede wegens zijn
onvolledige opleiding bracht hij het niet verder dan korporaal (Gefreiter). Hij
werd in 1916 ernstig gewond en kreeg in augustus 1918 het IJzeren Kruis eerste
klasse.
Periode in München
Zwaar teleurgesteld door Duitslands nederlaag en de omwenteling van november
1918, was hij in München enige tijd actief als politiek instructeur bij het
leger en kwam zo in aanraking met officierskringen, voor welke hij ook gegevens
verzamelde over partijen. Zo leerde hij de kleine nationalistische 'Deutsche
Arbeiterpartei' van de smid Anton Drexler kennen en trad na enige tijd toe.
Onder invloed van de publicist Gottfried Feder nam de partij in 1920 een
nationalistisch-revolutionair programma aan, dat zich keerde tegen het als
joods-internationalistisch bestempelde grootkapitaal. Al eerder had de partij de
naam 'National-Sozialistische Deutsche Arbeiterpartei' (NSDAP) aangenomen en had
Hitler een leidende rol in het bestuur weten te verkrijgen. In samenwerking met
bepaalde kringen uit de Reichswehr onder leiding van Ernst Röhm richtte hij een
eigen machtsapparaat op in de SA en later in de SS, waardoor hij met geweld
tegen politieke tegenstanders kon optreden.
Mislukte putsch (1923)
In het crisisjaar 1923 (bezetting van het Ruhrgebied en inflatie) kreeg de
partij een steeds grotere betekenis in Beieren en in het najaar kon Hitler een
putsch te München tegen de Beierse regering beramen, waarvoor hij de medewerking
van Ludendorff en andere officieren had weten te winnen. De putsch vond
(vervroegd) op 8 nov. plaats, maar mislukte. Hitler werd tot vijf jaar
vestingstraf veroordeeld, maar behoefde van de straf slechts acht maanden (april-dec.
1924) uit te zitten. In die tijd schreef hij met hulp van zijn secretaris,
Rudolf Hess, het eerste deel van Mein Kampf. Na zijn vrijlating nam hij de
leiding van de inmiddels ontwrichte partij weer in handen en zag kans deze tot
een vaste eenheid op te bouwen. De publicatie van het tweede deel van Mein Kampf
(1925-1926) maakte hem financieel minder afhankelijk.
Succes NSDAP
Door
de economische crisis van 1929 kreeg de NSDAP op ongekende wijze de wind in de
zeilen en bij de verkiezingen van 1930 werd zij de op een na grootste partij in
de Rijksdag. De voortschrijdende werkloosheid en ontreddering, de onmogelijkheid
een krachtig regeringsbeleid te voeren dat op een democratisch gezinde
meerderheid in de Rijksdag steunde, de angst voor een communistische revolutie
bij vele conservatieve en kapitaalkrachtige kringen, frustraties en wanhoop bij
tal van ontwortelde kleine middenstanders, dit alles werd door Hitler met
ongekend demagogisch talent uitgebuit, zodat bij de verkiezingen in 1932 de
NSDAP zelfs als grootste fractie haar intrede in de Rijksdag deed. Wel had
Hitler bij de presidentsverkiezingen in maart-april van dat jaar tegenover de
grijze von Hindenburg nog een nederlaag geleden, maar een werkelijk
gelijkwaardig politiek tegenspeler was er al in feite niet meer.
Rijkskanselier (1933)
Ten slotte stemde de Rijkspresident erin toe Hitler in een rechtse
coalitieregering tot Rijkskanselier te benoemen (30 januari 1933).
Met niets ontziende doelbewustheid slaagde Hitler erin in de eerste maanden zijn
regeringspartners uit te schakelen en alle politieke tegenstanders, bovenal de
sociaal-democraten, de communisten en het Centrum, politiek te vernietigen. De
Rijksdagbrand (27 febr. 1933) gaf hem daartoe de eerste gelegenheid en de onder
sterke druk tot stand gekomen verkiezingen van maart, het Ermächtigungsgesetz
(24 maart), de gelijkschakelingswet (31 maart), waarbij ook de volk svertegenwoordigingen
in de afzonderlijke Landen in overeenstemming met de Rijksdag werden gebracht,
de liquidatie van de vakbonden en ten slotte van alle politieke organisaties
buiten de NSDAP, markeerden Duitslands weg naar een totalitaire staat.
In jan. 1934 werd door een reconstructie van het Rijk een organisatorische
eenheid tot stand gebracht, die de greep van de partij op het hele leven nog
versterkte. Op 30 juni 1934 ontdeed Hitler zich in een massacre van Röhm en zijn
SA-legers, die het sociaal-revolutionaire element in de partij vormden en een
eigen dynamiek dreigden te ontketenen. De dood van Rijkspresident von Hindenburg
(2 aug. 1934) gaf Hitler de gelegenheid de functie van staatshoofd met die van
regeringsleider te combineren en de Wehrmacht door een eed aan zich persoonlijk
te binden. Met alle propaganda- en organisatietechnieken van de totalitaire
staat werd de Duitse natie aan een nationaal-socialistische scholing
onderworpen. Concentratiekampen en Gestapo-kelders vormden het alternatief voor
hen die zich openlijk verzetten.
Machtsconcentratie
Toen hij eenmaal heer in eigen huis was, concentreerde Hitler zich in toenemende
mate op de buitenlandse politiek. Zijn eerste, luid geproclameerde doel was een
vernietiging van het systeem van Versailles. Op 14 okt. 1933 trad Duitsland uit
de Volkenbond. De algemene dienstplicht werd ingevoerd; op 7 maart 1936 volgde
de hermilitarisatie van het Rijnland, terwijl een economisch opbouwprogram
(vierjarenplan) een begin maakte met een massale bewapening. Aangemoedigd door
verdeeldheid en zwakte van het buitenland ensceneerde Hitler op 11 maart 1938 de
bezetting van Oostenrijk (zie Anschluss). Daarna forceerde hij door een politiek
van zenuwoorlog en dreigementen de aansluiting van het Sudetenland, tijdens de
Conferentie van München (sept. 1938). In maart 1939 volgde de bezetting van
Praag en de definitieve liquidatie van Tsjechoslowakije. Een toenemende agitatie
tegen Polen in verband met Danzig en de Poolse corridor maakte langzamerhand
duidelijk dat slechts geweld Hitlers expansieve politiek tot staan kon brengen.
Hij zelf had zich al sedert 1937 duidelijk op een grote oorlog voorbereid. Een
verrassend non-agressiepact met zijn aartsvijand, de Sovjet-Unie (aug. 1939),
gaf hem de gelegenheid een oorlog met het Westen te riskeren, terwijl hij in de
rug gedekt was. Toen Polen zijn eisen niet inwilligde, begon hij op 1 sept. 1939
zijn offensief en ontketende daarmee de Tweede Wereldoorlog.
Tweede
Wereldoorlog en einde
Na de aanvankelijke overweldigende successen in 1939-1941, die het grootste deel
van Europa in Hitlers macht brachten, voltrok zich eind 1942 de omwenteling.
Hitler weigerde elke gedachte aan capitulatie en bleef de hopeloos geworden
strijd in een geruïneerd Europa en Duitsland voortzetten, tot de Russische
legers Berlijn binnenrukten en de westelijke geallieerden aan de Elbe stonden.
Op 30 april 1945 pleegde hij samen met Eva Braun, sedert enkele dagen zijn
vrouw, zelfmoord in de bunker van de Rijkskanselarij te Berlijn.
Persoon en leer
Hitler is feitelijk van zijn intrede in de partij in 1919 tot aan het einde de
beheersende figuur van het nationaal-socialisme geweest, dat onafscheidelijk met
zijn persoon en denkbeelden verbonden blijft. De oprichting van de totalitaire
staat, de herbewapening van Duitsland, de ontketening van de Tweede
Wereldoorlog, de verovering en bezetting van het grootste deel van het Europese
continent, de fysieke
vernietiging
van duizenden politieke tegenstanders en van het grootste deel van de Europese
joden (zie foto links)
zijn ondenkbaar zonder hem. Centraal in zijn ideologie stond de
vulgair-darwinistische gedachte dat het leven op een voortdurende strijd berust
en dat er een selectie plaatsvindt van de sterken ten koste van de zwakkeren.
Uit zijn Weense jaren dateren vermoedelijk reeds zijn voorstellingen over de
superioriteit van het arische ras en over de joden als het verderfelijke
tegenras. Een vredig naast elkaar bestaan van beide rassen was naar zijn mening
ondenkbaar. Racistische theorieën van H.S. Chamberlain en het Oostenrijkse
antisemitisme van Lueger en von Schönerer hebben hier peet gestaan. Ook zijn
fervent antibolsjevisme hangt met zijn antisemitische opvattingen nauw samen. De
Eerste Wereldoorlog en de Duitse nederlaag hebben zijn Groot-Duits chauvinisme
versterkt. Marxisme en jodendom waren volgens hem de internationale machten die
Duitsland naar het leven stonden. Gevormd door de chaos en sociale ontreddering
in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog, heeft Hitler met een zeldzaam
instinct voor propaganda en demagogie uit al deze, geenszins originele
ingrediënten de nationaal-socialistische leer gesmeed, die hem tegelijkertijd
een unieke gelegenheid bood om zijn machtsdrift te bevredigen. Van al de
eerzuchtige politici die in het klimaat van nationaal fanatisme en van sociale
verschuivingen na de Eerste Wereldoorlog in Europa opkwamen en die leiding
wilden geven aan een anti-democratische massabeweging, die een nieuwe orde zou
brengen, bleek hij uiteindelijk verreweg de belangrijkste - minder als
verkondiger van een originele leer dan als demagoog van een magnetische
aantrekkingskracht. Door de radicaliteit waarmee hij zijn ideeën heeft
uitgevoerd, heeft hij geheel Europa in brand gestoken en is hij ten slotte
geworden tot de grootste incarnatie van destructieve krachten die de moderne
geschiedenis kent. |
|
|
|