|
Aristophanes
(Athene ca. 445 – aldaar na 388 v.C.), Grieks blijspeldichter, de
grootste komediedichter van de zgn. Attische komedie. Zijn eerste
blijspel werd opgevoerd in 427, dus in het begin van de Peloponnesische
Oorlog ,
waarop zijn stukken herhaaldelijk betrekking hebben.
1. Werken
Van zijn 44 blijspelen, vaak naar
het erin optredende koor (zie
koor
[letterkunde]) genoemd, zijn er elf bewaard. In chronologische volgorde
zijn dit: De Acharniërs (Gr.: Acharnès, 425), waarin de
held van het stuk, Dicaeopolis, een afzonderlijke vrede voor zichzelf
verkrijgt, ondanks de tegenstand van de kolenbranders uit het Attische
dorp Acharnae, die het koor vormen; De Ridders (Gr.: Hippès,
424), waarin hij de volksleider Cleon aan de kaak stelt; De Wolken
(Gr.: Nephelai, 423), waarin hij
Socrates als sofist en natuurfilosoof bespottelijk maakt; De
Wespen (Gr.: Sphèkes, 422), een scherpe aanval op de
belustheid van vele Atheners om rechter in de volksrechtbank te zijn;
De Vrede (Gr.: Eirènè, 421), waarin eindelijk de in een hol
opgesloten Vrede wordt bevrijd; De Vogels (Gr.: Ornithes,
414), waarin twee Atheners uit de ellende van hun stad naar het
hooggelegen Vogelrijk vluchten en daar de heerschappij over de wereld
vestigen, Aristophanes’ luchtigste en meest lyrische blijspel;
Lysistrata (411), waarin de vrouwen de mannen tot het sluiten van de
vrede dwingen; De Thesmophoriazusae (de vrouwen die het
Thesmophoriënfeest vieren, 411) tegen Euripides gericht; De kikkers
(Gr.: Batrachoi, 405), over de drie grote Griekse
tragediedichters. Dionysus
daalt in de onderwereld af om Euripides naar de bovenwereld terug te
brengen en na een wedstrijd tussen deze en Aeschylus valt de keuze op
laatstgenoemde, terwijl Sophocles als zijn plaatsvervanger in de
onderwereld wordt aangewezen; De Ecclesiazusae (het
vrouwenparlement 392 of 389), waarin de vrouwen de regering van de
mannen hebben overgenomen; Plutus (Gr.: Ploutos, 388), de
blinde Rijkdom wordt weer ziende gemaakt, zodat hij bij de goede mensen
terechtkomt.
2. Waardering
Aristophanes, die een welgesteld,
conservatief grootgrondbezitter was, hekelt in zijn stukken zowel de
radicale democratie en de demagogen als de nieuwe stromingen op het
gebied van religie, ethiek, opvoeding, poëzie en muziek en de
vertegenwoordigers daarvan, gebruikmakend van de bijna onbeperkte
vrijheid die de oude komedie bood om de spot te drijven met mensen en
zelfs met goden. Herhaaldeijk komen in zijn stukken thema's aan de orde
als de verheerlijking van de vrede, de verderfelijkheid van Euripides’
toneel, het gevaar van de sofisten (zie
sofisme). De
politieke strekking treedt in zijn laatste stukken sterk op de
achtergrond. In een bepaald gedeelte van de komedie (de parabasis)
richtte hij zich bij monde van het koor zelf tot het publiek. Zijn kunst
bestaat in zijn prachtige Attische taal, de verrassende en fantastische
opzet, zijn speelse en vernuftige woordspelingen en parodieën, zijn
meesterschap als verskunstenaar, zijn geniale invallen en uitbundige,
soms rauwe en obscene geestigheid. |
|
|
|