|
Aristoteles
(Stagira 384 – Chalcis 322 v.C.), is één van de belangrijkste wijsgeren
uit de oudheid.
Aristoteles was in de oudheid, waar filosofie en wetenschap nog niet van
elkaar gescheiden waren, een veelzijdig wetenschapper. Vooral zijn
logica heeft een grote invloed gehad op de latere filosofie. Het
belangrijkste element van deze logica is de leer van de oordelen.
Aristoteles ging ervan uit dat alle zintuiglijke kennis in principe waar
is. Pas in ons verstand leggen wij echter verbanden tussen de
ervaringen, in de vorm van oordelen. Wij zien bijvoorbeeld: vrouw, zwart
haar. En we vormen ons vervolgens het oordeel, de vrouw heeft zwart
haar. Waarover wij spreken (vrouw) is het subject, wat wij ervan zeggen
(zwart haar) is het predikaat. Het meest algemene predikaat is ‘zijn’.
Van alle dingen kan men immers zeggen dat ze zijn. Verder introduceerde
Aristoteles de termen syllogisme, inductie en deductie (zie hieronder).
Van de logica zei Aristoteles overigens dat hij deze opvatte als een
leerschool voor het denken. Het is de leer van de principes waarop ons
denken gebaseerd moet zijn, willen wij de juiste conclusies trekken uit
onze waarnemingen.
Aristoteles hield zich ook bezig met biologie, hij heeft de natuur zeer
uitgebreid bestudeerd. Ook dacht hij na over de wetmatigheid waaraan de
natuur onderworpen is (hetgeen wij nu natuurkunde zouden noemen). Zo
stelde hij bijvoorbeeld dat ‘worden’ niet de overgang is van niets naar
iets, maar van potentie (het zaadje) naar verwerkelijking (de boom).
1. Leven
Zijn vader Nicomachus, was lijfarts van Amyntas II van Macedonië, en
schreef (thans verloren) boeken over medische en fysische onderwerpen.
Aristoteles is vroeg wees geworden. Op zijn zeventiende jaar vertrok hij
naar Athene en werd in de Academie van Plato opgenomen, die hij pas
twintig jaar later, na Plato's dood (347), verliet.
Daarna kwam hij aan het hoofd van een platonische gemeenschap in Assos
te staan, trok echter spoedig naar Lesbos (waar hij met Theophrastus van
Eresus samenwerkte), en werd in 342 door koning Philippus naar Macedonië
ontboden om de opvoeding van de veertienjarige Alexander te verzorgen (tot ca. 340). Hij keerde in 335 naar Athene
terug, waar hij dertien jaar lang in de Peripatos (wandelgang) van het
Lykeion heeft gedoceerd.
Ten gevolge van een antimacedonische reactie na Alexanders dood (323)
werd hij als collaborateur beschouwd en aangeklaagd wegens
goddeloosheid. Anders dan Socrates, die de gifbeker dronk, verliet hij
de stad, zeggende dat hij de Atheners een tweede vergrijp aan de
filosofie wilde besparen. Een jaar later stierf hij in Chalcis.
Persoonlijke bijzonderheden over hem zijn nauwelijks bekend. Uit zijn
testament leren wij hem als een zorgzaam huisvader kennen en als een
humaan meester voor zijn slaven. Van enkele vrienden weten wij alleen
dat zij hem zijn leven lang trouw gevolgd hebben.
De overgeleverde briefwisseling met Alexander is vermoedelijk een
vervalsing, en ongeloofwaardig is het bericht dat de koning zijn studies
met een enorm bedrag steunde en op zijn expedities een staf van
geleerden meenam om dieren en planten voor hem te verzamelen.
De twee boeken die Aristoteles aan Alexander opdroeg, zijn verloren
gegaan, maar wel is bekend dat hij daarin o.a. schreef dat het voor een
koning niet nodig was om filosoof te zijn (dit tegen Plato), maar wel om
naar het advies van een wijsgeer te luisteren.
2. Leer
De wijsbegeerte van Aristoteles draagt een sterk speculatief karakter en
toont voortdurend de invloed van Plato, maar daarnaast is een
uitgesproken belangstelling voor de empirische werkelijkheid merkbaar,
die hem ertoe bracht om vrijwel alle gebieden van wetenschap in zijn
filosofie te betrekken (wis- en geneeskunde zijn opvallende
uitzonderingen).
2.1 De logica
De logica beschouwt Aristoteles zelf (in tegenstelling tot velen van
zijn navolgers) niet als onderdeel van de filosofie: het is een
leerschool voor het denken, en de daarop betrekking hebbende geschriften
hebben later de naam Organon (= werktuig) gekregen.
Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed
dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun
valse redeneringen.
Hij gaat ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het
gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz. Onze waarnemingen zijn op
zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid;
fouten ontstaan doordat wij die waarnemingen verkeerd met elkaar
verbinden en daardoor foute conclusies trekken. Voor een adequate kennis
van de werkelijkheid moeten de begrippen in hun samenhang met de
werkelijkheid overeenkomen.
De niet verder te herleiden elementen van de kennis zijn de Categorieën,
dwz. de verschillende vormen waarin men zich uitspreekt over het
bestaande. Wanneer wij een oordeel uitspreken, is datgene waarover wij
spreken ‘subject’, wat wij ervan zeggen is het predikaat.
Om dat predikaat tot uitdrukking te brengen beschikken wij over een
aantal categorieën: de substantie (ousia), bijv. mens of paard; de
kwantiteit, bijv. twee ellen lang; de kwaliteit, bijv. rood of blauw; de
relatie, bijv. dubbel, groter; en verder de categoriën: plaats, tijd,
handelen en ondergáán.
Wanneer zij zonder verbinding gebruikt worden, drukken zij geen
bevestigend of ontkennend oordeel uit (man, blank, gisteren); daartoe
moeten zij verbonden worden (de man is blank), en het oordeel is waar of
onwaar naarmate de verbinding overeenkomt met de verbindingen in de
werkelijkheid.
De eenvoudigste vorm van een oordeel is: A is B (kataphasis,
bevestiging) of: A is niet B (apophasis, ontkenning). Uit twee oordelen
(premissen genaamd), die één term (de ‘middenterm’) gemeen hebben, kan
een syllogisme gevormd worden (= sluitrede, volgens de definitie een
redenering waarin, als bepaalde dingen gegeven zijn, iets anders dan het
gegevene noodzakelijk volgt), bijv. A is B; B is C: ± A is C.
De mogelijkheden van het syllogisme zijn door Aristoteles zorgvuldig
afgebakend, en het zeer verfijnde systeem van vormen van syllogismen
heeft zich nog tot na Immanuel Kant kunnen handhaven. Steeds gaat hij
van het algemene naar het bijzondere (deductie).
Van de omgekeerde weg, die van het bijzondere uitgaat om tot conclusies
ten aanzien van het algemene te komen (inductie), heeft hij in zijn
natuurwetenschappelijke geschriften gebruikgemaakt. Strikt genomen zou
alleen volledige inductie, waarbij alle bijzondere gevallen bekend zijn,
geldig zijn. Hij redeneert dat de afzonderlijke dingen uit algemene
oorzaken zijn ontstaan; om ze te leren kennen moet men daarom eerst
kennis van de algemene oorzaken verwerven. Die kennis is met het
verstand door redenering te bereiken.
De meest algemene oorzaken zijn onherleidbaar, anders zouden zij een nóg
algemenere oorzaak hebben, en zo tot in het oneindige voort. In
overeenstemming daarmee zijn de eerste, algemene premissen onbewijsbaar;
zij zijn echter zonder meer duidelijk. De voornaamste is het principium
identitatis: A is A en kan niet op hetzelfde ogenblik en ten aanzien van
hetzelfde niet-A zijn.
Alleen dan is er sprake van een strikt bewijs als het syllogisme uitgaat
van ware premissen. Dikwijls moet men echter uitgaan van meningen,
waarvan de waarheid niet volstrekt zeker, maar wel waarschijnlijk is. De
zgn. praktische filosofie, ethiek, politiek en redekunst, maakt van min
of meer waarschijnlijke redeneringen gebruik, en kan daarom niet als
strenge wetenschap gelden.
2.2 Ontologie
Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het Zijn (van alle dingen
kan men in elk geval zeggen dat ze zijn), en het Zijn als zodanig is het
onderwerp van wat Aristoteles de ‘eerste filosofie’ noemde, die thans
metafysica heet. Het woord ‘zijn’ wordt in vele betekenissen gebruikt (
‘de man is blank’: koppelwerkwoord; ‘de man is’ duidt op het bestaan,
enz.).
Het blijkt dat kwaliteit, kwantiteit en alle andere categorieën niet
kunnen zijn in de betekenis van bestaan: dat kan men alleen zeggen van
een ousia (substantie, of wezen); een mens bestaat op zichzelf, maar
blank op zichzelf bestaat niet. Nu is ons weten volgens Aristoteles
afhankelijk van de waarneming die aan het weten voorafgaat. Wij nemen
echter alleen afzonderlijke dingen waar (de eigenlijke substanties). Dus
zou ons weten slechts betrekking kunnen hebben op afzonderlijke dingen.
Plato had gesteld dat het algemene (de Idee) het wezenlijke was en dat
de afzonderlijke dingen daar deel aan hadden. Volgens Aristoteles
bestaat het algemene niet buiten de dingen (als idee), maar in de
dingen; het is voor het verstand te begrijpen.
2.3 Natuurfilosofie
De dingen om ons heen zijn in een voortdurend wordingsproces betrokken.
Worden is een beweging van de ene toestand naar de andere. Fysica is de
leer van de bewegingen en de oorzaken daarvan. Oorzaken (aitia) zijn
materie, vorm, bewegende oorzaak en doel.
Bij een huis kan men de vorm onderscheiden van het doel (beschutting van
de bewoners), bij een levend wezen vallen vorm en doel samen. Anderzijds
is de bewegende oorzaak van een huis de vorm in de gedachte van de
architect, die dezelfde is als de actuele vorm van het huis.
Vandaar dat de vier oorzaken vaak gereduceerd worden tot twee: vorm en
materie. De eerste is actief, de tweede passief, en de ongevormde
materie staat tot de gevormde als potentie, mogelijkheid (dynamis)
tegenover actualiteit (energeia): worden is een overgang (beweging) van
potentialiteit naar actualiteit (zie ook act).
Parmenides van Elea krijgt daardoor een afdoend antwoord: worden is niet
de ondenkbare overgang van het niets naar het iets, maar van
nog-niet-iets-zijn naar verwezenlijking. Uit zaad + voedsel ontstaat de
actuele boom. Actualisering kan op verschillende niveaus plaatsvinden:
de boom is potentieel hout, huis of standbeeld, maar ook: boom ± hout ±
rottingsproduct ± voedsel voor een nieuwe boom.
De vier elementen: aarde (droog en koud), water (vochtig en koud), lucht
(vochtig en warm), vuur (droog en warm) kennen ook voortdurende
overgangen. Zij hebben hun eigen bewegingen: aarde en water rechtlijnig
naar beneden, lucht en vuur evenzo naar boven, en daar zij ieder een
eigen ‘plaats’ hebben, bestaat er een natuurlijke stratificatie.
Door verandering van één van de twee eigenschappen (bijv. van koud naar
warm) kunnen zij in elkaar overgaan. Die verandering wordt o.a. door
reflectie van de zonnewarmte op aarde en door afkoeling in de hogere
lagen veroorzaakt, en daardoor ontstaan de weersverschijnselen.
Boven de sfeer van de maan heerst een ander element, de aether, dat niet
verandert (de aether wordt ook ‘vijfde lichaam’ genoemd, de quinta
essentia van de middeleeuwen). Om die maansfeer heen ligt een groot
aantal sferen, wier gecompliceerde kringlopen de voor ons ongelijkmatig
schijnende bewegingen van de planeten veroorzaken; zij worden alle
omsloten door de gelijkmatig bewegende uiterste sfeer van de vaste
sterren, en het rustend middelpunt is de aarde.
De hemellichamen, ‘goddelijk’ geheten, zijn uit aether gevormd, maar hun
goddelijkheid is niet volmaakt, omdat zij bewegen. Beweging is altijd
een overgang van potentialiteit naar actualiteit, en de godheid kan
niets potentieels meer hebben: dat zou aan zijn volmaaktheid afdoen.
God is dus buiten de sferen en Hij is indirect de oorzaak van hun
bewegingen. De sferen bewegen zich uit verlangen naar God, die de
Onbewogen Beweger is. De enige activiteit die God kan uitoefenen, is het
denken. Niet aan andere dingen – want dan zou Hij zich met materie
bezighouden: Hij denkt de volmaakte actualiteit, en dat is Hij zelf:
zijn denken is denken van het denken.
Terwijl Aristoteles de ruimte als begrensd denkt door de buitenste
hemelsfeer, poneert hij dat de tijd oneindig is. Daar tijd en beweging
onafscheidelijk samengaan, heeft de beweging van de kosmos geen begin
gehad en zal nooit ophouden. Deze leer van de eeuwigheid van de wereld
is voor latere Aristotelici een schooldogma geweest, dat zowel in het
christendom als in de islam aanleiding was tot polemieken.
Hier op aarde kan door de beperkte mogelijkheden van de materie een
ononderbroken kringloop niet plaatsvinden, maar de natuur tracht deze zo
goed als het in haar vermogen ligt te imiteren. Door de zon is er dag en
nacht, door de ecliptica (de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar
schijnt te doorlopen) de wisseling van de seizoenen. Vandaar de mutatie
van elementen en de weersverschijnselen. Het leven kent opgang en
neergang, geen complete kringloop, maar de ononderbroken opeenvolging
van ontstaan en vergaan is de best mogelijke nabootsing daarvan.
2.4 Biologie
In de levende natuur zijn de individuen vergankelijk, maar de soorten
eeuwig en onveranderlijk. Wel kent Aristoteles de geleidelijke overgang
van het net-niet-meer-levenloze, via planten, tussenvormen tussen
planten en dieren, naar hogere dieren, tot de mens toe. Maar hij
verwerpt de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe soorten:
kruisingen, zoals muildieren, kunnen zich als soort niet handhaven.
Lager en hoger gaan samen met de aard van de psychè (ziel, in de zin van
levensbeginsel). De laagste vorm is de plantenziel (alleen voeding en
voortplanting); dieren hebben de waarnemende ziel, de mens daarenboven
het verstand. In de hogere ziel zijn de lagere altijd aanwezig.
Centrum van de levensfuncties én van de waarneming is het hart: de
(koude) hersenen dienen als regulateur om de bloedtemperatuur
gelijkmatig te houden. Volgens Aristoteles is het mannelijke warm en
actief, het vrouwelijke koud en passief.
Bij de voortplanting is het mannelijke de vormgever, en in het sperma is
de ziel in potentie aanwezig. Het vrouwelijke draagt alleen de materie
bij. Toch weet Aristoteles van parthenogenese (voortplanting zonder
bevruchting). In het algemeen komt hij in de nadere uitwerking vaak veel
verder dan een star dogmatisme. Zo kon Charles Robert Darwin hem als een
groot bioloog beschouwen.
Hij heeft ruim 500 dieren beschreven en observaties gedaan die soms in
onze eigen tijd pas bevestigd zijn, bijv. de beschrijving van de
levendbarende gladde haai (Mustelus laevis). In zijn nauwkeurig
uitgewerkte erfelijkheidstheorie anticipeert hij op
Gregor Mendel met
een goed begrip voor dominerende en recessieve factoren.
Hij geeft een opmerkelijke schets van een indeling van de dierenwereld
op grond van de embryologie. Ook heeft hij herhaaldelijk bepaalde
soortkenmerken aangewezen, en is hij zijn tijd vooruit geweest door
bijv. sponsen, zeeanemonen e.d. van planten, en walvisachtigen van
vissen te onderscheiden.
2.5 Waarneming
Uitvoerig is de behandeling van de zintuigen, en vooral ook van de vraag
hoe verschillende waarnemingen gecoördineerd worden (de waarnemingen van
een roos bijv. gaan langs totaal verschillende wegen: men ziet de bloem,
ruikt de geur en voelt de doornen).
Volgens Aristoteles is dit coördineren het werk van een
gemeenschappelijk waarnemingsorgaan. Het complex van de waarnemingen
vormt het materiaal voor de herinnering. Opvallend is in dit verband
zijn inzicht in het associatieproces. De mens beschikt niet over
natuurlijke wapens (slagtanden, klauwen, horens) en ook het
waarnemingsvermogen is slechter dan dat van sommige dieren. Maar alleen
de mens bezit verstand.
Zeer betwist is de leer van het passieve intellect dat de denkinhoud aan
voorafgaande waarnemingen ontleent, en het actieve intellect, dat het
denken activeert. Het passieve intellect is met de andere delen van de
ziel aangeboren, maar het actieve ‘komt van buiten af’ en is alleen
onsterfelijk.
2.6 Ethiek
Het doel ‘waarnaar alles streeft’ is het goede, en het gemeenschappelijk
einddoel is de eudaimonia, het geluk. Dat ligt niet in het verwerven van
rijkdom, eer of genot, en ook niet in werkloosheid, maar in activiteit.
Het hoogste goed is activiteit van de ziel in overeenstemming met haar
eigen deugd, en als er meer deugden zijn, met de hoogste.
Aristoteles’ leer dat een deugd in het midden ligt tussen twee ondeugden
(le juste milieu) is beroemd geworden. Dapperheid bijv. ligt tussen
roekeloosheid (te veel) en lafheid (te weinig) in. Dapper zijn is niet:
alles te wagen zonder vrees; men dient ook te weten wanneer men moet
wijken. Wie goed wil handelen moet een keuze (prohairesis) maken, en wel
een meervoudige keuze, die rekening houdt met persoon, tijd, plaats en
omstandigheden.
Boven de karakterdeugden staan de verstandelijke. De wijze kiest de
hoogst mogelijke deugd die ligt in de intellectuele activiteit, dwz.
contemplatie. Het zuivere denken plaatst hem boven het menselijke
niveau: de mens bereikt dat niet als mens, maar door het goddelijke in
hem.
Op de hoge waarde van de vriendschap wordt veel nadruk gelegd, en
sociale deugden, zoals de rechtvaardigheid, staan bovenaan, in
overeenstemming met de opvatting dat de leer van de samenleving (politikè)
in het verlengde van de ethiek ligt. De mens is een gemeenschapswezen (zooion
politikon): de staat streeft naar het geluk van de burgers. Aristoteles
wil toezicht op het gezin met het oog op eugenese (verbetering van de
erfelijke eigenschappen van het menselijk ras) en geboortebeperking,
maar ziet anderzijds de slavernij als een door de natuur gegeven
noodzakelijk instituut.
Hij overweegt de voor- en nadelen van de verschillende mogelijke
constitutievormen, maar blijft merkwaardigerwijze in de tijd waarin door
de veroveringen van Alexander enorme statencomplexen ontstonden, staan
bij de oude, beperkte stadstaat.
2.7 De retorica
Deze ligt, als verhandeling over de redekunst, gedeeltelijk in het
verlengde van de logica, maar komt herhaaldelijk op het terrein van de
literatuurbeschouwing. Dit laatste onderwerp is uiterst beknopt
behandeld in de Poetika, die van alle werken van Aristoteles het meest
gelezen is, en vooral door de leer van de drie eenheden (tijd, plaats en
handeling) een vérreikende invloed heeft gehad.
3. Werken
Naar het voorbeeld van Plato schreef Aristoteles een aantal dialogen,
die in de oudheid druk gelezen zijn, maar verdrongen werden door de
wetenschappelijke werken (de fragmenten zijn verzameld door R. Walzer,
21963, en W.D. Ross, 1955). Ook van de grote, onder zijn leiding tot
stand gebrachte documentenverzamelingen (o.a. lijsten van opvoeringen
van tragedies in Athene, staatsinstellingen van 158 steden, atlas van
vergelijkende anatomie, en andere) is alleen een studie over de Staat
van de Atheners in 1891 op een papyrus gevonden. De rest is, op een
aantal meestal zeer korte fragmenten na, verloren gegaan (laatstelijk
uitgegeven door V. Rose in 1886).
Bewaard gebleven zijn de wetenschappelijke werken, die geen literair
karakter dragen, maar als min of meer uitgewerkte leerstof voor zijn
colleges dienden. Uit een aantal citaten naar niet meer
vertegenwoordigde werken blijkt dat de door Andronicus geredigeerde
verzameling niet volledig meer is, terwijl anderzijds dictaten en
excerpten van leerlingen, geschriften van latere peripatetici (o.a. de
Problemata) en opzettelijke vervalsingen (zoals De mundo) erin zijn
opgenomen.
De bewaard gebleven hoofdwerken van Aristoteles zijn de volgende:
Logica: Categoriae; De interpretatione; Analytica priora en posteriora;
Topica. Ontologie: Metaphysica. Natuurfilosofie: Physica; De caelo; De
generatione et corruptione; Meteorologica; Historia animalium; De
partibus animalium; De generatione animalium; De anima, Parva Naturalia.
Praktische filosofie: Ethica Nicomachea; Politica; Rhetorica; Poetica.
UITG: en VERT: De eerste kritische teksteditie is die van I.
Bekker (2 dln., 1831), later o.a. aangevuld met de humanistische
Latijnse vertalingen en de Index Aristotelicus van H. Bonitz (1870;
herdr. d. Gignon, 1960–1963). Bruikbaar is ook de Grieks-Latijnse
uitgave van Didot (1848–1871; herdr. 1973) met een eigen, zeer
uitvoerige Latijnse index. Van 1882–1909 deed de Pruisische Akademie de
Griekse commentaren verschijnen (23 dln.).
Een volledige editie van de middeleeuws-Latijnse vertalingen wordt
verzorgd door de Union Académique Internationale, onder de titel
Aristoteles Latinus (I–XXXIII; suppl. I–II); Syrische vertalingen (vnl.
van het Organon, ook: De mundo) zijn in de eerste helft van deze eeuw al
verschenen. Na de Tweede Wereldoorlog is de uitgave van de Arabische
vertalingen vrijwel voltooid. Vertalingen in moderne talen zijn van zeer
ongelijke waarde. Vooral in Groot-Brittannië, waar een lange traditie
een bruikbare terminologie opleverde, zijn voortreffelijke prestaties
geleverd: The works of Aristotle translated into English (12 dln.,
1908–1952) omvatten alle werken van Bekkers editie. De Loeb Classical
Library biedt bijna alle werken in het Grieks met vertaling.
|