|
De
jonge Franse dichter Arthur Rimbaud werd op 20 oktober 1854 geboren te
Charleville.
Toen hij zes jaar was verliet zijn vader het ouderlijk huis. Rimbaud kreeg van
zijn moeder een strikt religieuze opvoeding. Op zijn zestiende werd zijn eerste
gedicht gepubliceerd en liep hij van huis weg om door Frankrijk en België te
zwerven. Hij werd door de politie opgepakt en weer naar huis gebracht. Een jaar
later ontmoette hij Paul Verlaine. Deze verliet zijn gezin voor Rimbaud
en samen vestigden zij zich in Londen. In 1873, te Brussel, wilde Rimbaud de
relatie verbreken. Verlaine schoot Rimbaud na een hierop volgend gevecht door de
pols. Hierop werd Verlaine gevangen genomen en keerde Rimbaud terug naar het
huis van zijn moeder.
In 1873 verscheen "A Season in Hell" een destijds slecht ontvangen spirituele
autobiografie. Teleurgesteld gaf Rimbaud het schrijven op en verbrandde hij zijn
manuscripten. Rimbaud bestudeerde daarna diverse talen, zoals Duits, Engels,
Spaans , Italiaans, Russisch, Grieks en Arabisch. Hij werkte als leraar in
Duitsland, lader en losser in Marseille en als militair voor het Nederlandse
leger in Sumatra. In 1876 beroofde hij een koetsier in Wenen. De laatste jaren
van zijn leven werkte hij voor diverse werkgevers in de import en export handel.
Hij handelde in porselein, wapens en slaven. In 1891 kreeg Rimbaud last van pijn
in zijn linkerknie. Zijn linkerbeen werd geamputeerd. Arthur Rimbaud overleed
aan kanker op 10 november 1891 te Marseille en werd begraven in Charleville. |