|
Attila,
ook bekend onder de Middel-Hoog-Duitse naam Etzel (gest. 453), koning
van de Hunnen, bijgenaamd ‘de gesel Gods’, volgde ca. 434 zijn oom Roea
op, die de eenmaking van de Hunse volksstammen had verwezenlijkt.
Hij begon zijn
loopbaan met van Theodosius II, keizer van de oostelijke rijkshelft van
het Romeinse Rijk, een verdubbeling te eisen van de schatting welke Roea
in 430 had afgedwongen. De weigering van de keizer beantwoordde Attila
met een inval in het rijk. Theodosius II was verplicht een verdrag te
sluiten waardoor de schatting verdriedubbeld werd (443). Toen de
opvolger van Theodosius II, Marcianus, de betaling van de schatting
weigerde, wendde Attila de blik naar de westelijke rijkshelft.
Hij trok in 451 over de Rijn, gevolgd door talrijke onderworpen
volksgroepen. Rond deze tocht werden later veel legenden geweven: als
zeker schijnt te mogen worden aangenomen dat Metz werd verwoest en
Orléans belegerd. Deze laatste stad bood heldhaftige tegenstand onder
bisschop Anianus, tot het verenigd leger van Theodorik I, koning van de
Visigoten, en van de Romeinse generaal Aetius opdaagde. Attila
verschanste zich in de buurt van Troyes, waar een beroemde veldslag
geleverd werd (in de geschiedenis ten onrechte veelal ‘slag op de
Catalaunische Velden’ genoemd). De koning van de Visigoten sneuvelde,
maar Attila trok zich terug naar de Donauvallei en naar Pannonië
(Hongarije), waar zijn hoofdstad lag. Van hieruit ondernam hij reeds het
volgende jaar (452) een tocht naar Italië. Naar Rome durfde Attila
echter niet te gaan, daar zijn leger uitgeput was en Marcianus hem
vanuit het Oosten bedreigde. Attila aanvaardde onderhandelingen, die o.m.
gevoerd werden door paus Leo I In juli 452 werd te Mantua vrede
gesloten, waarbij Attila zich verbond Italië te verlaten tegen ontvangst
van een jaarlijkse schatting. Na deze veldtocht in Pannonië
teruggekeerd, huwde hij een Germaans meisje, Ildico (de Kriemhild uit
het Nibelungenlied). Tijdens de huwelijksnacht stierf hij.
Attila's rijk werd begrensd door de Donau in het zuiden, het
Tatragebergte in het noorden, de Don in het oosten en de Alpen in het
westen. De koning liet een menigte zoons na, zodat de opvolgingsregeling
onmogelijk was. Mede als gevolg hiervan spatte het rijk na Attila's dood
uit elkaar.
|