Volgens
geschiedkundige bronnen werd Boeddha, de stichter van het Boedhisme,
geboren op 8 april in het jaar 563 voor Christus.
De naam Boeddha betekent letterlijk 'de verlichte', en is de naam
waaronder de stichter van het boeddhisme, Siddhartha Gautama (Pali:
Siddhatta Gotama) het meest bekend is geworden.
Hij stamde uit het adellijk geslacht van de Sakya's en noemde zichzelf
later veelal Sakyamuni (Sjakjamoeni): de wijze uit het geslacht Sakya.
Omdat Boeddha zelf geen geschriften heeft nagelaten, moet men voor zijn
biografie een beroep doen op de Sanskriet-teksten van het Mahayana
(vooral de Lalitavistara uit de 2de eeuw n.C.) en in mindere mate op de
Pali-teksten van het Hinayana. De historische feiten zijn echter zeer
door legenden overwoekerd. Het leven van Gautama is het type van het
boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het volgens boeddhistische
opvattingen vrijwel gelijk. Gautama's vader, Sjuddhodhana, was vorst van
Kapilavastu in Magadha (Noordoost-Indië), zijn moeder, Maya, stierf
volgens de overlevering zeven dagen na Siddhartha's geboorte. Hij kwam
ter wereld in het woud Lumbini. Bij zijn geboorte droeg hij de 32
gunstige kentekenen (mahavyanjana) van een groot man. Op hetzelfde
ogenblik werd ook zijn latere vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig
bekend; slechts verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school
zelfs zijn leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met
Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde tot zijn
29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.
Door het zien van een jammerlijke grijsaard, een ernstig zieke, een lijk
en een bedelmonnik drongen de ellende, de waardeloosheid en de ijdelheid
van het leven zich aan hem op en hij zocht zich vrij te maken van de
ellende van het bestaan. Hij verliet 's nachts vrouw en kind en zocht
als rondzwervend en bedelend asceet de ware vrijheid bij beroemde
asceten, maar kon ook hier niet de gemoedsrust en de bevrijding uit de
samsara (de eeuwige kringloop van de wedergeboorten) terugvinden, totdat
hij eens op een dag, zittend onder een asvattha-(vijgen-)boom bij de
rivier Nairanjana, tot het ware inzicht kwam: alle wensen afgestorven,
het slechte ontvlucht. Ondanks de aanvallen van Mara, de personificatie
van de dood, die de wereld en de samsara representeert, bereikte hij
zulk een trap van meditatie, dat alles hem licht werd en hij de dwaling
als oorzaak van alle leed en lijden vond. Sedertdien was hij de boeddha,
de verlichte.
Na een tijd van strijd en aarzeling of hij zijn nieuw inzicht voor zich
zou behouden, dan wel of hij het zijn verblinde medeschepselen zou
meedelen, trok hij, 36 jaar oud, de wereld in om het verlossend inzicht
te verbreiden. Te Benares, in het dierenpark Rsipatana (Pali: Isipatana),
hield hij zijn eerste prediking en zette het 'Wiel der norm' (Dharmacakra)
in beweging. Ondanks bestrijding en tegenwerking kreeg hij al spoedig
vele aanhangers. Onder hen waren de brahmanen Sjariputra, Maudgalyayana,
zijn neef Ananda; lekenaanhangers en begunstigers waren o.a. de rijke
koopman Anathapindika en de vorst Bimbisara van Magadha. Jaar in jaar
uit trok Gautama door het land om zijn leer te verbreiden, zich enkel in
de regentijd met enkele leerlingen afzonderend. Hij stierf in het jaar
483 voor Christus, aan de oever van een rivier in de nabijheid van
Kusjinagara (Kusinara). Door de zorgen van zijn geliefde leerling Ananda
en enkele andere discipelen werd zijn lijk verbrand. Zijn overblijfselen
werden als relikwieën vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in
stupa's.
Nadat men vele jaren in onzekerheid over Boeddha's bestaan heeft geleefd
en men zelfs een tijdlang aan zijn bestaan heeft getwijfeld, kan het
bovenstaande met vrij grote zekerheid in hoofdzaken als historisch
vaststaand worden aangenomen. |
|
|
|