Commodus,
Lucius Aelius Aurelius (Lanuvium 31
aug. 161 – Rome 31 dec. 192), Romeins keizer van 180 tot 192, was de zoon van
keizer Marcus Aurelius en diens nicht Faustina Minor (de Jongere). Sinds 177 was
hij mederegent van zijn vader, die in 180, tijdens een offensief tegen de
grensvolken aan het Donaufront, overleed. Een half jaar later legde Commodus de
Germanen een strenge vrede op en keerde onder algemene instemming naar Rome
terug. Daar liet hij, primitief, indolent en religieus geëxalteerd, de regering
aan gunstelingen, als de gardeprefekt Paternus en zijn kamerheer Saoterus. Zijn
passiviteit lokte hofintriges uit en een samenzwering (183) van zijn zuster
Lucilla (weduwe van keizer Lucius Verus) en haar neef; de mislukking hiervan had
een reeks executies (ook van Paternus) en een terreurregime tegen de Senaat als
nasleep. De vrijgelatene Cleander, kamerheer én gardeprefect, beheerste Commodus
en het Romeinse rijk, maar werd in 189 bij relletjes in Rome door zijn meester
aan de volkswoede opgeofferd. Een gecombineerd bewind van de gardeprefect Laetus,
kamerheer Eclectus en de keizerlijke concubine Marcia volgde hem op. Commodus,
steeds meer geobsedeerd door de Herculesfiguur, schandaliseerde intussen de
goegemeente door in het amfitheater als dierenvechter en (in schijngevechten)
als gladiator op te treden. Ten slotte poseerde hij (ook in munt en beeld) als
geïncarneerde Romeinse Hercules, compleet met knots en leeuwenhuid. Zijn
liederlijke verkwisting en wanbeheer verergerden de financiële crisis in het
rijk, met als gevolg boeren- en soldatenopstanden en algemene onrust. Toen de
drie machthebbers ook zichzelf bedreigd achtten, voorkwamen zij een samenzwering
van generaals door Commodus eind 192 in zijn bad te laten wurgen. Een
hysterische Senaat vloekte zijn nagedachtenis (damnatio memoriae) en riep
de oude Pertinax tot keizer uit. |
|
|
|