De
Franse schrijver en dichter Émile Zola, werd geboren in Parijs op 2 april 1840.
Zola was
de zoon van een ingenieur van Italiaanse afkomst die zich had geruïneerd met
plannen voor de watervoorziening van Aix, de stad waar Émile zijn jeugd
doorbracht. Na enkele jaren van armoede trad hij in dienst van de uitgeverij
Hachette.
Hij debuteerde als lyrisch dichter met meer dan 10.000 verzen in de stijl van
Victor Hugo
en schreef feuilletonromans als La confession de Claude (1865). Van geheel
andere aard is zijn roman Thérèse Raquin (1867; toneel 1873), een van de
meesterwerken van het naturalisme, waarin hij vooral onder invloed van H. Taine
op quasi-wetenschappelijke wijze de wetten van erfelijkheid en milieu wilde
toepassen in de literatuur. Zijn volgende roman, Madeleine Férat (1868),
vertoont dezelfde opzet en schokte de critici door zijn realisme. Uit deze tijd
stamt de term naturalisme, die binnen tien jaar een hele literaire school zou
gaan benoemen.
Geïnspireerd door Balzac ontwierp hij het plan voor een romanserie, Les
Rougon-Macquart, waarvan het eerste deel in 1870 als feuilleton gepubliceerd
werd en in boekvorm verscheen onder de titel La fortune des Rougon (1871). In de
twintig delen van deze 'histoire naturelle et sociale d'une famille sous le
Second Empire' liet hij alle sociale aspecten van zijn tijd de revue passeren:
de provincie, het boerenbestaan, de geldhandel, de politieke wereld, de
arbeiders, de burgers, de hallen, de magazijnen, de spoorwegen, de artiesten, de
prostitutie. Hij documenteerde zich ter dege, maar uitte zich meer en meer als
dichterlijk, visionair kunstenaar, uitblinkend in de schildering van
massabewegingen; terecht beroemd werd de beschrijving van een optocht van
stakende mijnwerkers in Germinal (1885). Zijn sterk visuele instelling kwam
vanaf 1888 ook tot uiting in de passie en de bekwaamheid waarmee hij zich wijdde
aan het maken van fotoreportages. Een van zijn beste boeken werd L'assommoir
(1877), waarin naast de schildering van een arbeidersmilieu ook de indringende
wijze opvalt waarop de vervreemding van een alcoholicus wordt weergegeven.
In zijn later werk maakte het naturalistische pessimisme plaats voor een lyrisch
optimisme en geloof in de mythische krachten van de arbeid en de vruchtbaarheid
van de natuur. In Trois villes (1894-1898; Lourdes, Rome en Parijs) en vooral in
zijn Quatre évangiles (Fécondité, 1899; Travail, 1901; Vérité, 1903; Justice),
waarvan het vierde door zijn dood niet meer werd voltooid, wordt deze
levensblijheid uitgebeeld in merkwaardige composities, die o.a. bepaald worden
door getallenmystiek.
Zola's optreden als schrijver en mens lokte veel kritiek uit. Zijn romans vonden
weinig waardering, al is er de loffelijke uitzondering in de persoon van S.
Mallarmé, die zijn bewondering voor Zola's werkkracht en visie uitsprak in een
aantal brieven (Dix-neuf lettres à Émile Zola, 1929). Ook de door de
Frans-Duitse Oorlog geïnspireerde verzamelbundel van zes novellen, Les soirées
de Médan (1880; genoemd naar het plaatsje in de omgeving van Parijs waar zich
rond Zola de zgn. Groupe de Médan had gevormd), waarin Zola L'attaque du moulin
bijdroeg en G. de Maupassant het onvolprezen Boule de suif, ondervond veel
kritiek.
Grote bekendheid kreeg Zola door zijn optreden in de
Dreyfus-affaire, in het bijzonder door de
publicatie in L'Aurore (13 jan. 1898) van de Lettre au Président de la
République, wereldberoemd geworden onder de titel J'accuse, die leidde tot zijn
veroordeling, waarna hij, zonder de uitspraak in hoger beroep af te wachten, in
juli uitweek naar Groot-Brittannië. In juni 1899 keerde hij terug; hij werd als
een held geëerd en ook zijn werk kreeg uiteindelijk algemene erkenning.
Zola overleed in Parijs op 28 september 1902. Zijn stoffelijke resten werden
bijgezet in het Panthéon. Sedert 1922 verschijnt een Bulletin de la Société des
amis d'Émile Zola. |
|
|
|