Fidel
Alejandro Castro Ruz werd geboren op 13 augustus 1926 en is de president van
Cuba.
Castro werd geboren in Biran in de Cubaanse provincie Holguin, als zoon van een
welgestelde boer. Hij kreeg zijn opleiding aan Jezuļtische scholen, waaronder
het Colegio Belen in Havana. In 1945 ging hij rechten studeren aan de
Universiteit van Havana, waar hij in 1950 afstudeerde.
Tussen 1950 en 1952 werkte hij op een klein advocatenkantoor. Het was zijn
bedoeling om voor de Ortodoxy-partij mee te doen aan de parlementsverkiezingen
van 1952, maar die werden afgelast na de geslaagde staatsgreep van generaal
Fulgencio Batista tegen de regering van Carlos Prio Socarras. Castro daagde
Batista voor de rechter vanwege schending van de grondwet, maar dat liep op
niets uit.
Daarop organiseerde Castro een gewapende aanval op de Moncada-barakken in de
provincie Oriente, op 26 juli 1953. Meer dan tachtig van zijn mannen kwamen om
het leven en hijzelf werd gevangengenomen en door het gerecht tot vijftien jaar
cel veroordeeld. (Onderdeel van zijn slotpleidooi was "La historia me absolver"
("De geschiedenis zal mij vrijspreken"), een gepassioneerde speech waarin hij
zijn daden verdedigde en zijn politieke standpunten uitlegde.) Als gevolg van
een generaal pardon kwam hij in mei 1955 vrij, waarna hij in ballingschap ging
in Mexico en de Verenigde Staten. Samen met een aantal andere ballingen vormde
hij de Revolutionaire Beweging van de 26ste juli en keerde hij terug naar Cuba.
Bij de eerste aanval, op 2 december 1956 in Oriente, overleefden slechts twaalf
van de tachtig, onder wie zijn broer Raul Castro, Che Guevara en Camilo
Cienfuegos. Ze trokken zich terug in de bergen van de Sierra Maestra, van
waaruit ze een guerrilla-oorlog begonnen tegen het bewind. De beweging kreeg
steun onder de bevolking en breidde zich uit tot zo'n 800 man. Hoewel numeriek
zwaar in de minderheid behaalde zij een aantal indrukwekkende overwinningen,
gedeeltelijk omdat soldaten van Batista zich vaak massaal overgaven of
deserteerden.
Op
1 januari 1959 ontvluchtte Batista Cuba en nam de beweging Havana in. Castro
werd op 16 februari 1959 premier van Cuba en op 3 december 1976 president.
De Verenigde Staten erkenden het nieuwe regime snel, maar niet lang daarna
ontstond er wrijving tussen Amerika en Castro, onder meer omdat het regime
Cubaanse bezittingen van Amerikaanse bedrijven onteigende en olie kocht van de
Rusland. Op 19 oktober 1960 vaardigt Amerika een handelsembargo uit tegenover
communistisch Cuba, in de hoop de revolutionaire leider Fidel Castro te
dwarsbomen. Daarop volgde de mislukte landing van door de CIA gesponsorde
Cubaanse ballingen bij de Varkensbaai, op 17 april 1961. De Cuba-crisis van
oktober 1962 liep goed af, maar in de jaren daarna ondersteunde de CIA niettemin
meerdere plannen om Castro te liquideren.
Paus Johannes XXIII excommuniceerde Castro op 3 januari 1962, in de ijdele hoop
de katholieke Cubanen tegen hem op te zetten. Castro zelf had het katholicisme
al eerder afgezworen.
Castro verstevigde zijn greep op Cuba onder meer door bedrijven te
nationaliseren, bezittingen van buitenlanders te confisceren en wetten uit te
vaardigen die de arbeiders steunden. Vele Cubanen ontvluchtten hun land, onder
meer naar Miami. Ondanks hun sterke anti-Castro lobby en het door Amerika
ingestelde embargo zit Castro nog steeds stevig in het zadel, zelfs nu hij niet
meer echt kan rekenen op steun van Rusland. Zijn aanhangers stellen dat dit komt
door zijn populariteit onder de gewone bevolking. Niet te ontkennen valt dat
vooral voor kinderen de levensomstandigheden op Cuba significant beter zijn dan
in de omringende landen. Tegenstanders van Castro wijzen onder meer op de
mensenrechtenschendingen op Cuba. Veel oppositieleden zitten in de
gevangenis, er is censuur, geen persvrijheid en de verkiezingen zijn een farce. |