|
Op
22 januari 1561 werd in Londen de beroemde Engelse filosoof, geleerde en
staatsman Sir Francis Bacon geboren.
Hij was de zoon van Nicholas Bacon (grootzegelbewaarder onder koningin
Elizabeth I), en sloot reeds op veertienjarige leeftijd zijn studie te
Cambridge af. Hij verbleef drie jaar te Parijs, waar hij in contact kwam
met het humanisme, dat van grote invloed op Bacon geweest is.
Hij keerde
terug naar Engeland en werd in 1584 lid van het parlement. Wegens zijn
grote kennis van het Engelse recht nam Elizabeth hem op in haar
regeringsraad. Jacobus I benoemde Bacon in 1617 tot grootzegelbewaarder
en in 1618 tot Lord Chancellor. In dat jaar verhief hij hem ook tot
baron van Verulam. In 1621 werd Bacon, beschuldigd van het aannemen van
steekpenningen, ontslagen.
Veel belangrijker dan zijn politieke carrière is echter zijn
wetenschappelijke arbeid geweest. Bacon streefde naar een alomvattende
vernieuwing (een ‘Instauratio Magna’) van de wetenschap. Zijn grootse
plannen heeft hij slechts gedeeltelijk op schrift kunnen stellen. In
zijn De Augmentis Scientiarum kritiseerde hij de stilstand van de
wetenschap sinds de Grieken en beproefde een nieuwe indeling van de
wetenschappen. Bovendien toonde hij zich een voorstander van een
organisatie van de wetenschap in internationaal verband.
Het meest bekend is zijn geschrift Novum Organon (het ‘Nieuwe
Werktuig’), een titel doelbewust door hem gekozen om de tegenstelling
met het oude Organon van Aristoteles te doen uitkomen. Het doel van de
wetenschap lag voor Bacon in het beheersen van de natuur, waarmee (door
praktische toepassingen) de menselijke vooruitgang het best gediend was:
‘Kennis is macht’. Pas na een grondige zuivering van het menselijk
kenvermogen was een dergelijk doel te verwerkelijken.
Bacons analyse van de menselijke vooroordelen, zijn vroege
ideologiekritiek, waarmee hij op de Verlichting en de moderne
kennissociologie vooruitloopt, is zeer bekend. Hij onderscheidde vier
soorten van menselijke dwalingen, die hij drogbeelden (idola) noemde.
Hij onderkende, dat het verstand beïnvloed en vertroebeld wordt zowel
door de wil en de hartstochten (de idola tribus, de drogbeelden van de
menselijke stam) als door ieders aanleg en opvoeding (de idola specus,
de drogbeelden van de grot). Tevens wees hij op de soms verwarrende
invloed van de taal bij het intermenselijk verkeer (de idola fori, de
drogbeelden van de markt) en ten slotte betitelde hij de overgeleverde
en ingewortelde voorstellingen van de oude filosofen als de ‘drogbeelden
van het theater’ (de idola theatri). Was het verstand eenmaal zoveel
mogelijk van deze drogbeelden gezuiverd, dan kon de wetenschap opnieuw
worden opgebouwd. Slechts de inductieve methode, met als leidraad de
menselijke ervaring en waarneming, leidde tot de ware wetenschap.
Bacon onderschatte in zijn wantrouwen jegens de taal de uitermate
belangrijke en onmisbare functie in de (natuur)wetenschap van de
deductie en de theorievorming. Tot een praktische toepassing van zijn
methode is hij nooit gekomen. Vooral na 1640 werden zijn ideeën
gemeengoed in Engeland en ver daarbuiten. In zijn onvoltooid werk Nova
Atlantis ontwierp Bacon een beeld van de ideale maatschappij, niet door
politici, maar door een uitgelezen schare van beoefenaars van de nieuwe
wetenschap bestuurd. Hun rol is gelijk aan die van de filosofen in
Plato's Republiek.
Overigens is bij Bacon een merkwaardig samengaan te constateren van
radicalisme en conservatisme. Tegenover het radicalisme in zijn
wetenschapstheorie stond een politiek conservatisme. Bacon was nl. de
overtuiging toegedaan, dat de vooruitgang van de nieuwe wetenschap de
bestaande politieke constellatie geenszins zou aantasten, doch eerder
bestendigen.
|