De
Duitse taalkundige Wilhelm Grimm (rechts op de foto) werd geboren op 24 februari
1786 in Hanau. Wilhelm en zijn onafscheidelijke broer Jakob vormden de
'gebroeders Grimm', die ons heel wat volksliederen en volksvertellingen
(sprookjes) achterlieten.
Wilhelm Grimm werd evenals zijn broer Jakob, in 1837 wegens zijn
liberale opvattingen als hoogleraar te Göttingen afgezet. Was zijn broer vooral
geniaal op het gebied van de taalkunde, Wilhelm onderscheidde zich als
fijnzinnig literair bewerker van sprookjes en als kenner van de Duitse
heldensage en middeleeuwse poëzie. Wilhelm overleed in Berlijn, op 16 december
1859.
Jakob Ludwig Karl Grimm werd geboren in Hanau op 4 januari 1785.
Samen met zijn broer Wilhelm was hij de grondlegger van de Germaanse filologie,
studeerde rechten, werd in 1829 hoogleraar in de Duitse oudheidkunde te
Göttingen, maar werd om zijn liberale houding met zes andere hoogleraren in 1837
afgezet (de Göttinger Sieben). Met zijn werken legde hij de wetenschappelijke
grondslag voor de historische taalwetenschap, volks- en sagenkunde,
rechtsgeschiedenis en lexicografie. De samen met zijn broer verzamelde
volkssprookjes (Kinder- und Hausmärchen, 1812-1822, nw. uitgave 1948, d. F.
Panzer; d. F. von der Leyen, 1968-1969) werden wereldberoemd en luidden het
moderne sprookjesonderzoek in. De Deutsche Rechtsaltertümer (1828; 41899; herdr.
1955) zijn van groot belang voor de volkskunde, terwijl de Germaanse
godsdienstgeschiedenis inzet met de Deutsche Mythologie (1835; herdr. 1985).
Zijn Deutsche Grammatik (1819-1837) met de formulering van de wetten van de
klankverschuiving en zijn Geschichte der deutschen Sprache (1848) maakten de
snelle opbloei van de historisch-vergelijkende taalwetenschap mogelijk. Het door
hem en zijn broer in 1852 opgezette Deutsches Wörterbuch, de Duitse woordenschat
op historische basis, werd pas in 1963 voltooid. Jakob overleed in Berlijn, op
20 september 1863. |
|
|
|