Georges
Simenon wordt in Luik geboren op 13 februari 1903.
Zijn bijgelovige moeder laat hem echter inschrijven op de burgerlijke stand met
geboortedatum op 12 februari. De eerste 19 jaar van zijn leven brengt hij door
in Luik: de meest belangrijke van zijn leven, zegt hij zelf, want dat waren de
jaren waarin hij beelden, gevoelens en ervaringen verzamelt waarop zijn
persoonlijkheid en zijn werk opgebouwd zouden worden.
Hij groeit op in een middenklasse-milieu: zijn vader was bediende in een
verzekeringsmaatschappij, zijn grootvader hield een hoedenzaak, zijn moeder was
verkoopster in de garenafdeling van een grote winkel. Op zijn 15de onderbreekt
hij plots zijn studies om te gaan werken voor de kost. Al heel jong beslist hij
om te gaan schrijven en hij slaat de weg van de journalistiek in. Als
reporter/manusje-van-alles maakt hij voor de Gazette de Liège verslagen van
faits divers en verzorgt hij dagelijks een column. Tegelijkertijd probeert hij
ook een roman te schrijven en in 1921 publiceert hij, onder het pseudoniem
Georges Sim, 'Au Pont des Arches', een humoristisch en typisch Luiks boekje.
In december 1922 verlaat hij Luik om Parijs te veroveren. Hij besluit volledig
van zijn pen te leven en het te maken als romancier. Onder verschillende
pseudoniemen publiceert hij tussen 1923 en 1933 zowat 1.000 verhaaltjes en
ongeveer 200 romans populaires van alle genres: romantisch, erotisch, thrillers,
avonturenverhalen...
Samen met zijn echtgenote Régine Renchon, een Luikse schilderes die hij Tigy
noemt, werpt hij zich in het Parijs van de années folles, maar hij trekt met
haar ook het Franse platteland in en brengt als fanatieke zeiler heel wat tijd
door op de rivieren en kanalen, op de zee en op buitenlandse waterwegen. In 1929
creërt hij zo, op doortocht in Groningen, het personage commissaris
Maigret. De Parijse flik is meteen erg populair en goed voor in totaal
72 romans, waarvan de laatste in 1972 verschijnt.
Al gauw is Simenon in staat het succes van Maigret af te wisselen met sterke
psychologische romans. In de loop der jaren pent hij 117 romans durs bij elkaar,
waaronder 'Les fiançailles de M. Hire' (1933), 'La maison du canal' (1933), 'Le
coup de lune' (1933), 'Les inconnus dans la maison' (1940), 'Trois chambres à
Manhattan' (1946), 'La neige était sale' (1948), 'Pedigree' (1948), 'Feux rouges'
(1953), 'La boule noire' (1955), 'Le passage de la ligne' (1958), 'Le train'
(1961), 'Les anneaux de Bicêtre' (1963), 'Le petit saint' (1965) en 'Le chat'
(1967). Zijn werk wordt vertaald in meer dan 60 talen; talloze romans worden
verfilmd. Men schat zijn oplage op een half miljard boeken.
Tussen het schrijven door is Simenon voortdurend op reis en aan het verhuizen.
Hij ruilt Parijs voor Charente en voor de Vendée tijdens WO II. In 1945 verlaat
hij Frankrijk en trekt hij door Amerika, waar hij Denyse Ouimet ontmoet. Deze
wordt van secretaresse en minnares zijn tweede vrouw. In 1955 verlaat hij de VS
alweer, en vestigt hij zich, na een korte tijd in Parijs en aan de Franse
Zuidkust definitief in Zwitserland, in de omgeving van Lausanne. Kort daarna
verlaat Denyse hem en neemt dienstmeisje Teresa Sburelin haar plaats in als
gezellin van Simenon.
In de herfst van 1972 kondigt Simenon officieel aan dat hij met pensioen gaat.
Hij zal geen romans meer publiceren, al dicteert hij wel nog zijn herinneringen
en zijn bedenkingen over de actualiteit, die uitgegeven worden in 22 volumes. In
1976 worden zijn archieven bewaard door het Fonds Simenon in de Universiteit van
Luik. De zelfmoord van zijn dochter Marie-Jo zetten hem er nog een keer toe aan
zijn 'Mémoires Intimes' (1981) samen te stellen.
Simenon overlijdt op 4 september 1989 in het kleine huisje in Lausanne, waar hij
zijn laatste jaren doorbracht met Teresa. Zijn assen worden in de tuin
verstrooid. |
|
|
|