Gerald
Ford werd geboren op 14 juli 1913 in Omaha, Nebraska. Op 6 december 1973 werd
Gerald R. Ford benoemd tot vice president van de Verenigde Staten en op 9
augustus 1974, om drie minuten over twaalf, legde Gerald Ford de eed af waarmee
hij officieel de 38ste president van de Verenigde Staten werd.
Een paar minuten eerder had president
Richard Nixon
vrijwillig afstand gedaan van het ambt, opgejaagd door de zekerheid dat hij
anders zou worden afgezet wegens Watergate. Amerika keek toe in
shocktoestand, de wereld vroeg zich af wat er in vredesnaam gebeurde.
Tot 1973 was Gerald Ford een gewaardeerd lid geweest van het Huis van
Afgevaardigden. De beminnelijke Ford was de leider van de Republikeinse
minderheid en aangezien het vooruitzicht op een meerderheid voor die partij
minimaal was, had Ford zich voorgenomen in 1976 met pensioen te gaan. Toen
Nixons vice-president, Spiro Agnew, echter ontslag moest nemen wegens
belastingfraude, koos de president Ford tot diens opvolger. Nixon was de eerste
president die, onder de regels van het 25ste amendement op de Grondwet,
genoodzaakt was een vice-president te benoemen (Truman en Johnson hadden na de
dood van hun presidenten zonder tweede man verder geregeerd).
Hij had iemand nodig die zonder problemen zou worden aanvaard door het Congres
dat Nixon over het geheel genomen niet vriendelijk gezind was. Daardoor kon hij
niet zijn eigen favoriet benoemen, de Texaan John Connally, of
vertegenwoordigers van de vleugels zoals de conservatieve Ronald Reagan en de
liberale Nelson Rockefeller. Ford was ideaal. Ford was niet omstreden, zij het
dat onder normale omstandigheden niemand hem als potentiële president zou hebben
gezien. Integendeel, Lyndon Johnson had ooit van Ford gezegd dat hij `niet in
staat was tegelijkertijd kauwgom te kauwen en een scheet te laten’. Anderen
meenden wel eens dat Ford, die in zijn studentenjaren een verdienstelijk
football speler was, te lang zonder helm had gespeeld.
Intellectueel was Ford zeker geen hoogvlieger, maar hij bleek in augustus 1974
toch de juiste man om het beschadigde ambt van Nixon over te nemen. `Onze
nationale nachtmerrie is voorbij’, zei Ford na de eedaflegging. `Onze grondwet
werkt; onze grootse Republiek is een regering van wetten en niet van mensen.’
Fords nachtmerrie was maar net begonnen. Binnen een maand na zijn aantreden
verleende hij Nixon gratie voor alle eventueel begane misdrijven tijdens diens
ambtstermijn. Ford wilde voorkomen dat het land nog jaren met Watergate bezig
zou zijn.
Het was een wijs besluit, zeker achteraf gezien. Maar Ford laadde wel de
verdenking op zich dat hij een deal had gesloten met Nixon om diens baan te
krijgen. In één klap was de honeymoon van de nieuwe president voorbij.
Op buitenlands terrein probeerde Ford de continuïteit te handhaven door Nixons
minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger, over te nemen. Wel koos hij
met Brent Scowcroft een eigen, onafhankelijke veiligheidsadviseur. Kissinger was
in die jaren al over zijn hoogtepunt heen en zijn beleid van machtsevenwicht en
onderhandelen met de Russen lag steeds meer onder vuur. Veel kwam er niet meer
tot stand in de Ford-jaren.
Politiek gezien maakte Ford het zich ook nodeloos moeilijk door Nelson
Rockefeller, een vertegenwoordiger van de linkervleugel van de partij, als
vice-president te kiezen. Het schoffeerde de partij, die Rockefeller al sinds de
jaren vijftig de nominatie had ontzegd en niet wenste dat hij via een achterdeur
toch het Witte Huis binnenkwam.
Economisch gezien ging het land door een slechte tijd. Onder Ford begon de
periode van inflatie en beperkte economische groei die de jaren zeventig zou
kenmerken. Zijn beleid was op zijn best reactief en hij gaf geen blijk van groot
inzicht in de nationale economie. De recessie van 1974-75 dwong hem al snel zijn
anti-inflatiebeleid bij te stellen. In 1975 redde hij de stad New York van een
faillissement, opnieuw een schop tegen het zere been van de rechtse vleugel van
de Republikeinen die New York graag lieten stikken - daar kwam toch alleen maar
ellende vandaan.
Uiteindelijk kwam het op Ford neer om de oorlog in Vietnam eerloos af te
sluiten. In april 1975 voerden de helikopters de laatste Amerikanen en bevriende
Vietnamezen af van het dak van de ambassade. Ford kon er weinig aan doen; hij
wikkelde de zaak redelijk af, gegeven de omstandigheden. Om zijn spierballen te
laten zien na deze blamage, greep hij hard in toen Cambodjanen een Amerikaanse
schip gijzelden, de Mayaguez.
Fords presidentschap had gemakkelijk in een tragedie kunnen eindigen, met voor
Amerika onoverzienbare gevolgen. Hij overleefde twee serieuze moordaanslagen.
In 1975 had Lynette Fromme, een discipel van massamoordenaar Charles Manson, de
trekker al overgehaald op het moment dat Ford haar een hand wilde geven. De
kogel bleek niet in de kamer te zitten. Drie weken later vuurde Sara Jane Moore,
een politiek activiste, van twaalf meter afstand een pistool af op Ford. Ze
miste op een ongeveer een meter . Als ook Ford door moordenaarshand was
gevallen, zou de ellende niet te overzien zijn geweest. Simpelweg in leven
blijven was een van zijn grote verdiensten.
Hoewel hij beter had moeten weten, liet Ford zich in 1976 toch pressen om
kandidaat te zijn voor het presidentschap. Dat zat natuurlijk niet lekker bij
veel ambitieuze Republikeinen die hadden gehoopt na Nixon aan de beurt te kunnen
komen, zoals Ronald Reagan, die vreesde dat hij te
oud zou zijn als hij moest wachten tot 1980 of 1984. Reagan was de favoriet van
de rechtervleugel van de partij die niets moest hebben van Ford. Zo ontstond een
tamelijk bloederige strijd om de Republikeinse nominatie, die Ford maar op het
nippertje wist te winnen. Op de conventie sloten de Republikeinen formeel de
gelederen, maar met genoegen ging het niet. Reagan stal in feite de show en Ford
begon aan de campagne van 1976 met een flinke achterstand op de verrassende
Democratische kandidaat Jimmy Carter.
Toen Ford tijdens de debatten met Carter een paar keer blunderde, van
vliegtuigtrappen viel, geregeld zijn hoofd stootte en in het algemeen niet
daadkracht en presidentieel gezag uitstraalde, leek het pleit al beslecht voor
de toevallige president. Toch werd het een lange nacht voordat duidelijk was dat
Carter de winnaar werd: Ford had hem nog bijna ingehaald.
Gerald Fords presidentschap is en blijft uniek. Hij is de enige president die
nooit voor een landelijk ambt is gekozen en het is onwaarschijnlijk dat deze
situatie zich nog ooit voordoet. Hoewel Ford algemeen waardering heeft gekregen
voor zijn rol in de moeilijke periode na Nixons aftreden en het vertrouwen in
het presidentschap herstelde, wordt hij beschouwd als een zeer matige president. |
|
|
|