header_honden

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

A    B   C    D    E    F    G    H       J    K       M    N    O    P    Q    R    S    T    U    V    W    X       Z

 Gerbrand Bredero

 

 
   

Bredero, Gerbrand Adriaenszoon of Garbrant Adriaensz., ook Breero of Brederode (Amsterdam 16 maart 1585 – aldaar 23 aug. 1618), Nederlands dichter, was het derde kind van een gegoed schoenmaker, Adriaen Cornelisz. Bredero, en Marry Gerbrants. Hij moet behoorlijk onderwijs hebben genoten: hij kende Frans, mogelijk Engels en misschien wat Latijn. Aanvankelijk werd hij opgeleid tot schilder bij Fr. Badens. Hij was lid van de rederijkerskamer d'Eglantier (zie rederijkers), was bevriend met Roemer Visscher en Jotie t' Hooft en maakte in 1616 kennis met Grotius. Bredero is nooit getrouwd geweest. Wel heeft hij gedongen naar de hand van Magdalena Stockmans, die evenwel in 1618 huwde met Isaac Willemsz. van der Voort. Of Maria Tesselschade tot zijn liefdes behoorde, is onzeker.

Bekend is dat Bredero in 1617 met een slee door het ijs zakte; men heeft wel het vermoeden geuit dat dit ongeluk mede oorzaak zou zijn geweest van zijn ziekte en van zijn vroege dood. De dichter Bredero was een ras-Amsterdammer en verbleef zijn hele leven te Amsterdam. Waarschijnlijk is hij alleen één keer in Brabant geweest, maar noch van het tijdstip (1607?, 1610?), noch van de plaats (Antwerpen?) is iets bekend.

Hoewel Bredero nog geen 34 jaar is geworden, behoort hij tot de grote Nederlandse auteurs. Hij schreef enkele inleidingen op zijn dramatische werken, enige brieven en mogelijk een korte biografie van Carel van Mander; voorts lyriek, kluchten en blijspelen. Zijn lyriek is aanvankelijk ten dele in liedboeken opgenomen, o.a. in Apollo (1615). Postuum werd zij verzameld in het Boertigh, Amoreus, en Aendachtigh Groot Lied-boeck (1622, fotomech. herdr. 1968): deze driedeling is die van de traditionele rederijkerij: int sotte, int amoureuze, int vroede. Van de eerste categorie zal Boerengeselschap wel altijd het meest befaamd blijven, van de tweede 's Nachts rusten meest de dieren en van de derde Wat dat de wereld is, dat weet ick al te wis of 'T zonnetje. Bredero schreef veel liederen op toen bekende melodieën. Of de Twaalf sonnetten van de schoonheid wel of niet van hem zijn, is niet definitief uitgemaakt.

Tot zijn toneelwerk behoren allereerst enkele zgn. romantische spelen: Treur-spel van Rodd'rick ende Alphonsus (gespeeld 1611; eerste uitg. 1616), Griane (gespeeld 1612; eerste uitg. 1616) en Stommen ridder (gespeeld 1618; eerste uitg. 1619). De stof van deze werken is ontleend aan de Spaanse roman Palmerin d'Oliva, toen al in het Nederlands bekend. Lucelle (1616), grotendeels vertaald naar een Frans toneelstuk in proza van Le Jars, noemt Bredero zelf in zijn opdracht aan Tesselschade een ‘Blij- en Truer-Spelletje’. Het onvoltooide Angeniet werd door Starter ‘volrijmt’ (gespeeld 1623; eerste uitg. 1623); ook het Spel, op 't oud Liedt Het daget uyt den Oosten is door een ander, Matthijs van Velden, voltooid. De berijming van althans een gedeelte van Hoofts Schijnheylich is hem ook wel toegeschreven. Onvervalst grollig zijn Bredero's kluchten: de Klucht van de koe (1612; eerste uitg. 1619), Symen sonder soeticheydt (1612–1613?; eerste uitg. 1619), Den Molenaer (1613; eerste uitg. 1618) en de Hoochduytschen Quacksalver (eerste uitg. 1619), die misschien ten onrechte aan Bredero wordt toegeschreven.

Bredero's beste werken zijn de blijspelen. In Moortje (gespeeld 1615; eerste uitg. 1617) is hij via een Franse vertaling de Eunuchus van Terentius ‘met loome schreden na gegaen’: het stuk werd naar 's lands gelegenheid veramsterdamst en royaal verdubbeld. Hoogtepunt van zijn toneelschrijfkunst is de Spaanschen Brabander Ierolimo Gespeelt op de eerste Duytsche Academie, Op het Woort Al sietmen de luy men kensse niet (1617; eerste uitg. eind 1617 of begin 1618), waarvoor hij de stof ontleende aan de Spaanse schelmenroman Lazarillo de Tormes, waarvan o.a. in 1609 een Nederlandse vertaling verschenen was.

Het Bredero-jaar 1968 heeft voor hernieuwd onderzoek gezorgd. Een gedeelte van Bredero's lyriek, dat tot dan toe autobiografisch werd geïnterpreteerd, bleek vertaald uit het Frans en kwam voor binnen een grotere prozacontext. Door deze ontdekking bleek niet alleen Bredero's oeuvre groter dan tot 1968 werd aangenomen, maar kwam ook zijn reeds bekende werk in een ander licht te staan. Tevens werd dat jaar een begin gemaakt met een complete heruitgave van zijn werk.

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009