Herodotus
(Gr.: Hèrodotos) (Halicarnassus vóór 480 v.C. – Thurii? na 430 v.C.),
Grieks geschiedschrijver, de oudste van wie een volledig werk bewaard is
gebleven. Ten gevolge van een mislukte poging de tiran Lygdamus te verdrijven,
moest hij zijn geboorteplaats verlaten, vertoefde eerst op Samos en later
geruime tijd te Athene, waar hij met Sophocles
bevriend was. Hij nam deel aan de op initiatief van Pericles ondernomen
stichting van de Pan-Helleense kolonie Thurii in Zuid-Italië. Hier bevond zich
zijn graf. Tevoren had hij vele reizen ondernomen, o.a. naar Scythië, Colchis,
Mesopotamië en Egypte, zich overal door eigen aanschouwing op de hoogte stellend
en inlichtingen verzamelend aangaande alles wat zijn universele belangstelling
gaande maakte, niet alleen op historisch gebied, maar ook betreffende de
geografie en de natuurlijke historie van die gebieden en vooral betreffende
godsdienst, zeden en levenswijze van de bewoners. Herodotus kende de geschriften
van zijn voorgangers, de logografen, vooral Hecataeus. Hij kreeg inzage in
belangrijke officiële documenten van het Perzische rijk (waarbij evenwel te
bedenken valt dat hij van tolken gebruik moest maken), maar ook versmaadde hij
mondeling overgeleverde verhalen in novellistische trant niet. Als titel van
zijn Historiën diende aanvankelijk de aanhef van zijn geschrift: ‘Dit is
de uiteenzetting van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassus’. Uit de
hellenistische tijd dateert de indeling in 9 boeken, waaraan vervolgens de namen
van de 9 muzen werden gegeven. De opzet van het werk is een beschrijving van de
conflicten tussen de Grieken en de Oosterse volkeren, waarvan de Perzische
Oorlogen het hoogtepunt vormen (beschreven in boek 5–9, afsluitend met de inname
van Sestus in 478; boek 1–4 bevat de voorgeschiedenis vanaf de mythische tijd).
Zijn verhaal bevat tal van uitweidingen, die met het hoofdthema slechts
zijdelings in verband staan. Dit geldt vooral voor de eerste vier boeken, waarin
de Lydiërs, Meden, Perzen, Babyloniërs, Scythen, Libiërs en vele andere volkeren
ter sprake komen, terwijl boek 2 één lange uitweiding over Egypte vormt.
In overeenstemming met de losse compositie
is zijn schrijftrant, die een eenvoudig en ongedwongen karakter heeft en berust
op het aaneenrijgen en ineenschakelen van zelfstandige zinnen. Het is de stijl
van de onderhoudende verteller, waarin Herodotus het tot een nauwelijks te
overtreffen hoogte heeft gebracht. Vaak wordt men ook aan het Homerische epos
herinnerd. De taal waarvan hij zich bedient, is het Ionisch, niet het gesproken
dialect, maar de daaruit voortgekomen literaire kunsttaal.
De verdiensten van Herodotus als
geschiedkundige moeten beoordeeld worden naar de stand van de historiografie in
zijn dagen, toen men nog niet bedacht was op nauwkeurig onderzoek van de
gegevens en kritische bewerking en groepering daarvan; eerst Thucydides heeft
zich deze taak gesteld. Het ontbreekt Herodotus trouwens niet aan kritische zin.
Al heeft hij zijn zegslieden soms te gemakkelijk geloofd, herhaaldelijk laat hij
uitkomen dat hij bepaalde mededelingen betwijfelt of er sceptisch tegenover
staat. Er bestaat geen twijfel aan zijn streven naar waarheid en
onpartijdigheid. Zijn grootste verdienste als geschiedkundige is, naast het
bijeenbrengen van een overstelpende rijkdom aan gegevens, het feit dat hij voor
het eerst zich niet tevreden stelde met het genealogisch of chronologisch
rangschikken ervan, maar ze in onderling verband van een algemeen gezichtspunt
heeft gegroepeerd. Terecht heet hij dan ook sinds Cicero:
de vader van de geschiedschrijving.