|
De
Vlaamse chirurg en anatoom Jan Palfyn (of Palfijn) werd
geboren te Kortrijk 28 november 1650 en overleed te Gent op 21 april
1730. Hij kreeg, na door zijn vader in het chirurgijnsvak te zijn
opgeleid, een degelijke opleiding te Parijs. Na vele omzwervingen
vestigde hij zich in 1695 als meesterchirurgijn te Gent en werd er in
1708 lector in de anatomie en chirurgie. Hij werd bekend door zijn
publicaties, maar vooral door een door hem ontworpen verlostang (
‘de ijzeren handen’, 1723): een rechte forceps (zonder bekkenkromming en
zonder slot).
Jan Palfijn (1650 -1730), meesterchirurgijn, lector in de ontleedkunde
en chirurgie in Gent en last but not least ook vroedmeester, is de
eerste die breekt met de geheimhoudingspraktijken rond de bevalling. In
1723 reist hij naar Parijs om daar een anatomieboek te laten drukken.
Bij die gelegenheid toont hij de door hem ontworpen verlostang –”de
ijzeren handen”– aan de Academie van Wetenschappen te Parijs. Het is een
rechte tang met houten handvaten, zonder bekkenkromming. Het instrument
bestaat uit twee losse lepels, bijeengehouden door een ketting of koord.
Het is overigens niet waarschijnlijk dat de eenvoudige verlostang van
Jan Palfijn in de praktijk erg voldoet. Dat blijkt onder meer uit wat de
medicus Paulus de Wind uit Middelburg schrijft over zijn stage
verloskunde die hij in 1734 volgde bij vroedmeester Grégoire te Parijs.
Deze beveelt het gebruik van de tang van Palfijn aan. Maar De Wind heeft
zijn twijfels. De tang zou „dienstig zyn om levende Kinderen zonder
kwetsen by 't hoofd af te halen, 't geen my zeer nuttig en aannemelyk
voorkwam; maar ik verwonderde my, toen ik denzelven Heer Grégoir een en
andermaal Kinderen met den Haak zag afhalen, in plaats van met dit
heilzaam Werktuig (...).”
Een Duitse collega schrijft: „Ich habe diese Instrumente probiert, aber
ohne Vorteil daraus zu haben.”
Niettemin is de tang van Palfijn een belangrijke voorloper van latere
verlostangen. Dusée, volgens Paulus de Wind een bekend vroedmeester te
Parijs, verlengt de lepels van de tang van Palfijn, laat ze kruisen en
gebruikt een stift die de lepels op hun plaats houdt. Daarmee is het
prototype totstandgekomen van alle tangen die zullen volgen.
En dat zijn er heel wat. Veel gynaecologen vinden het nodig een eigen
model tang te ontwerpen. In 1884 geeft vakbroeder Chailly hierover in
niet mis te verstane bewoordingen zijn mening: „Dit instrument heeft nog
eene menigte andere wijzigingen ondergaan, welke ik echter met
stilzwijgen voorbij ga; omdat de meeste geheel nutteloos zijn, en
slechts door de ijdele begeerte ontstaan, die bijna alle verloskundigen
hebben doen trachten hunnen naam aan gewaande verbeteringen te
verbinden.”
Heden ten dage heeft de verlostang zijn waarde nog niet verloren bij
moeilijk verlopende baringen. Lag het percentage vacuümextracties,
waarbij het kind met een zuignap op het hoofd wordt gehaald, in 1998 op
14,6 en dat van keizersneden op 19,7, de tangverlossing was goed voor
3,2 procent van alle ziekenhuisbevallingen. Daarmee is de verlostang,
zo'n 270 jaar na de dood van Jan Palfijn, nog altijd een bruikbaar
instrument. |
|
|
|