De
Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre werd geboren in Parijs op 21
juni 1905 en overleed daar op 15 april 1980.
Hij was een van de grote figuren van existentialisme en existentiefilosofie, was
vroegtijdig verweesd en werd opgevoed door zijn grootvader. Over zijn jeugd
heeft hij op cynische wijze geschreven in zijn autobiografie Les mots (1963),
waarin hij het burgerlijk patroon van zijn opvoeding scherp belicht. Na een
studie filosofie aan de École Normale te Parijs (met befaamd geworden
medeleerlingen als Maurice Merleau-Ponty, Robert Aron en Sartres levensgezellin,
Simone de Beauvoir) was hij een aantal jaren leraar. Van 1932 tot 1934 verbleef
hij met een studiebeurs in Duitsland, waar hij kennis maakte met
existentiefilosofie, fenomenologie en psychoanalyse, wat van grote invloed werd
op zijn latere werk. Vreemd genoeg leidde zijn verblijf aldaar - ten tijde van
Hitlers opmars - nog niet tot politiek
bewustzijn. Tijdens de oorlogsjaren nam hij na een jaar krijgsgevangenschap
(1940-1941) deel aan het verzet en schreef hij ook zijn grote sombere studie
l'Être et le néant (1943). Daarin, en in de mislukte, 'optimistische'
popularisering L'existentialisme est un humanisme (1946), maakt hij onderscheid
tussen twee zijnsgebieden: het in-zich-zijn (en-soi) en het voor-zich-zijn (pour-soi).
Het in-zich-zijn is het zijn der stoffelijke dingen, dat compact, onbepaald,
zinloos en absurd is. Het voor-zich-zijn is het bewustzijn dat gekenmerkt wordt
door intentionaliteit. Het bewustzijn is zich bewust van zijn vernietigende
functie doordat het als het ware leegte in de dingen brengt. Sartre kent aan het
bewustzijn een absolute en onbeperkte vrijheid toe. Zijn levensvisie is
pessimistisch en atheïstisch. Het menselijk bestaan is volgens zijn analyse
uiteindelijk een mislukking, doordat het samenzijn onmogelijk is. De vrijheden
van de 'geïsoleerde' subjecten vernietigen en objectiveren elkaar. De mens staat
hulpeloos alleen in een zinloze wereld van loutere feitelijkheid, waaraan hij
door eigen creativiteit slechts een willekeurige zin kan geven.
De ongemeen grote populariteit die Sartre na 1945 plotseling ten deel viel, is
goeddeels terug te brengen op de levensopvattingen die speciaal de jongere
generatie onder invloed van twee catastrofale wereldoorlogen beheersten. Het
'existentialisme' werd een tijdlang een modeverschijnsel met grote invloed op
het culturele maatschappelijk leven.
Het leidende motief van l'Être et le néant is dat mensen gedoemd zijn tot
vrijheid. De mens kan de betrekking tot het Zijn veranderen krachtens zijn
vrijheid: door zijn vrijheid die hij zelf is, kan de mens een breuk in het zijn
bewerkstelligen en zich voortdurend verwerkelijken. De mens draagt het niets in
zichzelf als het niet-zijnde dat zijn heden geheel scheidt van zijn verleden.
Het bewustzijn van de vrijheid neemt vorm aan in de angst. Geen bestaande waarde
kan er afbreuk aan doen dat men zelf de waarden door zijn vrijheid in het zijn
handhaaft. In literaire vorm heeft Sartre aan denkbeelden als deze gestalte
gegeven in romans als La nausée (1938) en Le mur (1939), en in toneelstukken
als: Les mouches (1943), Huis clos (1944), La putain respectueuse (1946), Le
diable et le bon Dieu (1951). Hij poogt via het ontwerp van de kwade trouw de
dubbelzinnigheid van het bewustzijn te verifiëren; de mogelijkheid van de
dubbelzinnigheid stelt de mens in staat de angst te ontvluchten. De Nobelprijs
voor literatuur, hem in 1964 toegekend, wees hij af als specimen van repressieve
tolerantie.
In de kwade trouw zoekt de mens zich een 'en-soi' te geven, hetgeen in strijd is
met de contingentie van het 'pour-soi'. Zo treedt de paradox op dat de mens
en-soi en pour-soi tegelijk wil zijn. Deze synthese, indien mogelijk, zou enkel
aan God toekomen. Omdat de mens nooit het en-soi kan bereiken zonder zich als
pour-soi te gronde te richten, kwalificeert Sartre hem als 'dieu manqué'. Hoewel
hij geen expliciete ethiek heeft gepubliceerd, treden in zijn ontologie
impliciet en expliciet ethische noties aan het licht, vooral in het deel
l'Être-pour-autrui.
Sartres latere periode wordt vooral gemarkeerd door zijn volumineuze studie
Critique de la raison dialectique (1960), waarin hij het existentialisme poogt
te integreren in het marxisme in zijn ideale gestalte. Hij meent dat het
marxisme in de praktische verwerkelijking ervan ontrouw is geworden aan zijn
wezen. Met grote nadruk komt Sartre op voor de vrijheid van de mens: de mens
moge van de omstandigheden afhankelijk zijn, zijn activiteit moge met
passiviteit belast zijn, maar als handelend wezen is hij in staat deze
omstandigheden te wijzigen. Het marxisme moet van het determinisme gezuiverd
worden en zal ook aan de dialectiek van de vrijheid vrij spel moeten laten. De
communistische overweldiging van Hongarije (1956) toonde duidelijk aan hoezeer
de vrijheid van de concrete mens ontkend werd. Toch bleef hij in een te zuiveren
marxisme de grote kampioen van het menselijke vrijheidsstreven zien. Omstreeks
1960 taande evenwel de existentiefilosofie - het structuralisme was in opmars -
en Sartres tweede hoofdwerk oefende weinig invloed uit.
In 1972 voltooide hij het derde deel van zijn grote Flaubert-studie (L'idiot de
la famille) - Flaubert figureerde al opvallend in l'Être et le néant -, dat
ondanks de schijn van het tegendeel een politieke inslag heeft.
De politieke activiteiten van Sartre vielen aan het eind van de jaren zestig
zeer op. Hij initieerde mede het zgn. Vietnam-tribunaal. Tijdens de
mei-revolutie van 1968 stelde hij zich met volle overtuiging op aan de zijde van
de links-radicalen. Hij bleef ijveren voor de zelfbeschikking van het volk. De
Communistische Partij was volgens hem in gebreke gebleven en had de massa van
het volk van zich vervreemd. In de jaren zeventig werd zijn aandacht steeds meer
opgeëist door een verslechterende gezondheid, vriendinnen en zijn eigen
reputatie als linkse intellectueel. |
|
|
|