|
 Bosch,
Jeroen, ook Hiëronymus of Jheronimus
('s-Hertogenbosch ca. 1450 – aldaar begr. 9 aug. 1516), Brabants schilder,
heette eigenlijk Hiëronymus van Aken, maar signeerde zijn werk ‘Bosch’,
naar zijn geboorteplaats, waar ook zijn grootvader Jan, zijn vader Anton en zijn
broer Goossen als schilder werkzaam zijn geweest. In de plaatselijke documenten
komt hij voor het eerst voor in 1480, omstreeks de tijd van zijn huwelijk met
Aleid van den Meervenne. Over zijn leven is niet veel meer bekend dan dat hij
blijkbaar in hoog aanzien stond bij zijn stadsgenoten en bestuurslid was van de
O.-L.-Vrouwebroederschap die in de St.-Janskathedraal een eigen kapel had,
waarvoor Bosch verscheidene opdrachten kreeg.
Felipe de Guevara waarschuwde reeds in 1560–1563 tegen replieken of kopieën,
voorzien van een valse Bosch-signatuur. Geen enkel werk is gedateerd. Het
opmaken van een chronologie en de studie van het oeuvre worden bemoeilijkt door
het feit dat Bosch' werk noch stilistisch noch thematisch vast te knopen is aan
de traditie van de
Vlaamse Primitieven.
Een zeker verband met Schongauer
en met de Meester E.S. wordt mogelijk geacht. Gaandeweg ontwikkelde Bosch een
geheel eigen interpretatie van de christelijke iconografie. In toenemende mate
maakte de sfeer van een verloste wereld plaats voor die van een speelterrein van
boze en duistere machten. In de Bruiloft van Kana (Mus. Boymans Van
Beuningen, Rotterdam) en de Ecce Homo (Städelsches Kunstinstitut,
Frankfurt) wordt het volk bewust weerzinwekkend voorgesteld. De verklaring van
Bosch' onderwerpen stuit nog altijd op moeilijkheden die ook de moderne
psychologie nog niet geheel heeft ontraadseld. Mogelijk werd zijn verbeelding
gevoed door diezelfde neiging tot het bizarre die in randilluminaties van
gotische manuscripten en in de ‘spuwers’ en kapitelen van gotische kerken te
vinden is; zeker is dat Bosch zich vaak liet inspireren door de literatuur,
volkse gezegden en folklore (De Blauwe Schuyte, Louvre, Parijs). Bosch
leefde in de turbulente wereld van het ‘herfsttij der middeleeuwen’; de gisting
en de spanningen van zijn dagen – de vooravond van de Reformatie – heeft hij met
hallucinerende scherpte en fantasie vertolkt en ongetwijfeld is hij door zijn
tijdgenoten begrepen, getuige het feit dat hij veel in opdracht heeft
geschilderd. De Bourgondische hertog Filips
de Schone bestelde in 1504 een Laatste Oordeel (thans: Gemäldegalerie,
Wenen; fragment in de Alte Pinakothek, München); de landvoogdes
Margaretha van Oostenrijk
bezat een Bekoring van de H. Antonius (thans: Museo Nacional de Arte
Antiga, Lissabon). Na Bosch' dood verzamelde Filips II zijn schilderijen.
Het thema is altijd weer het kwaad en de dwaasheid in al hun vormen. De
gestileerde menselijke figuurtjes in zijn allegorische werken krijgen vaak een
tragische schoonheid; zijn monsters zijn mengsels van menselijke, animale,
vegetatieve en minerale vormen, tekenen van een opvatting volgens welke de
kiemen van de boosheid over alle lagen van de schepping liggen uitgezaaid. Het
landschap vertoont een voor die tijd uitzonderlijke monotonie, waardoor de
bizarre scènes nog beklemmender worden. Beroemd werden vooral De zeven
hoofdzonden (Prado, Madrid), het Hooiwagen-triptiek (Prado, Madrid),
waarin de scheppende God naar nauwelijks genaakbare verten schijnt teruggeweken,
en het drieluik De tuin der lusten (Prado, Madrid), een van de
raadselachtigste werken uit de gehele kunstgeschiedenis. Men neemt aan dat Bosch
in zijn later oeuvre de mensengestalte op de voorgrond brengt, zoals in de
Marskramer, ook bekend als De verloren zoon (Museum Boymans-van
Beuningen, Rotterdam), de Doornenkroning (National Gallery, Londen) en de
aangrijpende Kruisdraging (Museum voor Schone Kunsten, Gent), een
Christus omstuwd door tronies bezeten van haat en spotlust.
In de recentere vakliteratuur wordt het werk van Bosch uitgelegd met
verwijzingen naar alchemie en astrologie. De meest sensationele interpretatie
was die van de Duitse volkskundige Wilhelm Fraenger, die betoogde dat Bosch lid
zou geweest zijn van een geheime sekte van naaktlopers en dat verscheidene van
zijn werken zouden zijn uitgevoerd in opdracht van de leider van genoemde sekte,
door de auteur geïdentificeerd met Jacob van Almaengien. Deze exegese, die nogal
wat weerklank kreeg, is definitief weerlegd door de in de Verenigde Staten
docerende kunsthistoricus Walter Gibson. De strikt historische benadering van de
productie en de receptie van Bosch' werk door Vandenbroeck gaf recent het
onderzoek een nieuwe wending.
Bosch liet geen school na, maar zijn oeuvre heeft niettemin grote invloed gehad;
Pieter Bruegel
de Oudere is echter de enige die zich in rijkdom aan verbeelding en in
spankracht met deze visionaire kunstenaar kon meten. |
|
|
|