De
Nederlandse dichter Joost van den Vondel werd geboren op 17 november 1587 te
Keulen en overleed op 5 februari 1679 te Amsterdam.
Hij werd soms de Agrippijnse Zwaan genoemd, naar zijn
geboorteplaats: Keulen = Agrippina.
Vondel wordt met Gerbrant Bredero en Pieter Corneliszoon
Hooft beschouwd als de belangrijkste dichters van de de gouden eeuw.
Vondel werd geboren in Keulen waarheen zijn uit Antwerpen afkomstige
doopsgezinde ouders vluchtten voor de Contrareformatie. In 1579 vestigden zij
zich in Amsterdam. Vondel verdiende zijn brood in de kousenhandel die hij van
zijn vader had overgenomen. Na de faling van deze zaak werd hij suppoost bij de
Bank van Lening, waar hij in 1668 gepensioneerd werd. Hij werd lid van de
Brabantse rederijkerskamer "Het Wit Lavendel". Tijdens zijn carrière als
kousenmaker begon hij, als bewonderaar van Seneca, en later de Griekse
klassieken, zelf drama's te schrijven.
Tot Vondels bekendste werken horen zijn toneelstukken Gijsbrecht van Aemstel, en
"Lucifer" .
Een overzicht van zijn
Werken :
Poëzie
Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders (1613)
Hymnus ofte Lofgesangh over de wijdberoemde scheepvaert der Vereenigde
*Nederlanden (1613)
Vorstelijcke warande der dieren (1617)
Op de jongste Hollantsche Transformatie (1618)
De Helden Godes (1620)
Het lof der zeevaert (1623)
Geboortklock van Willem van Nassau (1626)
Bruyloftbed van P.C. Hooft en Helionora Hellemans (1627)
Rommelpot van 't Hane-kot (1627)
Verovering van Grol door Frederick Henrick, Prince van Oranje (1627)
De Rynstroom (1630)
Roskam (1630)
Harpoen (1630)
Een otter in 't bolwerck (1630)
Geuse-vesper (1631)
Decretum horribile (1631)
Op Huygh de Groots verlossing (1632)
Inwying der doorluchtige Schoole t'Amsterdam (1632)
Kinderlijck (1632)
Uitvaert van mijn dochterken (1633)
Lyckklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van mijn ega (1635)
Brieven der Heilige Maeghden, Martelaressen (1642)
Aen de Beurs van Amsterdam (1643)
J.J. Vondels Verscheide Gedichten (1644)
Altaergeheimenissen (1645)
Poezy (verzamelbundel) (1650)
Inwijdinge van 't Stadhuis t'Amsterdam (1655)
Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt (1657)
Zeemagazyn (1658)
Wildzang (1660)
Toneelschilt oft Pleitrede voor het toneelrecht (1661)
Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (1662)
Joannes de Boetgezant (1663)
De Heerlijckheid der Kercke (1663)
Uitvaert van Maria van den Vondel (1668)
Drama's
Het Pascha ofte de Verlossing Israels uit Egypten (1610)
Hiërusalem verwoest (1620)
Palamedes of Vermoorde Onnooselheijd (1625)
Jozef of Sofompaneas (1635)
Gijsbrecht van Aemstel (1637)
Maeghden (1639)
Gebroeders (1640)
Joseph in Dothan (1640)
Joseph in Egypten (1640)
Peter en Pauwels (1641)
Maria Stuart of Gemartelde Majesteit (1646)
Leeuwendalers, lantspel (1647)
Salomon (1648)
Lucifer (1654)
Salmoneus (1657)
Jeptha of Offerbelofte (1659)
David in Ballingschap (1660)
David hersteld (1660)
Samson of Heilige wraak (1660)
Adonias of Rampsalighe kroonzucht (1661)
Batavische gebroeders of Onderdruckte vryheit (1663)
Faëton of Reuckeloze stoutheit (1663)
Adam in Ballingschap of Aller treurspelen Treurspel (1664)
Zunchin of Ondergang der Sineesche heerschappije (1667)
Noah of Ondergang der eerste wereld (1667)
Gelegenheidsgedichten
1627 - Bruyloftbed van Pieter Cornelisz. Hooft en Helionora Hellemans
1633 - Kinder-lyck (naar aanleiding van het overlijden van zijn zoon Constantijn)
1668 - Uitvaert van Maria van den Vondel
Literaire verhandeling
1650 - Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste |
|
|
|