|
De
Joegoslavisch staatsman Josip Broz Tito werd geboren in Kumrovec op 25 mei 1892
en overleed te Ljubljana op 4 mei 1980.
Tito was afkomstig uit een Kroatisch-Sloveens boerengezin, sloot zich rond 1910,
toen hij werkzaam was als metaalbewerker, aan bij de socialistische beweging in
Zagreb. Tijdens de
Eerste Wereldoorlog geraakte hij in Russische krijgsgevangenschap. In
Rusland maakte hij de Oktoberrevolutie
mee, waarna hij overging tot het communisme. In 1920 keerde Tito naar
Joegoslavië terug en werd beroepsrevolutionair.
Na in 1928 benoemd te zijn tot secretaris van de afdeling Zagreb van de
(illegale) Communistische Partij, belandde Tito voor vijf jaar in de gevangenis.
Vervolgens werd hij lid van het Politburo van de partij. In 1937, het jaar
waarin hij secretaris-generaal van de partij werd, begon hij in opdracht van de
Komintern te werken aan een reorganisatie van het partijapparaat. In 1941 nam
Tito de wapens op tegen de Duitse en Italiaanse indringers, alsmede tegen
binnenlandse tegenstanders. Hoewel substantiële Sovjet-Russische hulp uitbleef,
wist Tito als leidende organisator van het verzet uiteindelijk de overwinning te
behalen, mede door westerse diplomatieke en militaire steun en omdat hij de
nationaliteiten van Joegoslavië een grote mate van autonomie beloofde.
Na de Tweede
Wereldoorlog vestigde Tito (1945–1963: premier; sedert 1954 president) snel
de alleenheerschappij voor de Communistische Partij. In 1948 kwam het tot een
breuk met de Sovjet-Unie. Het feit dat Joegoslavië zich daarna tegen de
geweldige pressie van de zijde van de Oostblokstaten wist te handhaven, deed
Tito's prestige in binnen- en buitenland sterk toenemen. In 1950 proclameerde
Tito arbeiderszelfbestuur in de bedrijven, daarmee een antimodel tegen het
stalinisme creërend.
In de internationale politiek streefde Tito naar een ‘blokvrije’ positie (hij
was een van de inspiratoren van de conferenties van
niet-gebonden landen).
Hij aanvaardde economische steun van alle kanten en keerde zich niet alleen
tegen de ideologische pretenties van China en Albanië, maar kritiseerde ook het
Sovjet-Russische optreden in Hongarije (1956) en Tsjechoslowakije (1968).
Binnenslands bestreed Tito o.m. oppositie van Djilas en Rankovic.
Sedert het begin van de jaren zeventig werd het nationaliteitenprobleem weer
meer acuut. Tito reageerde daarop in 1974 met de afkondiging van een federale
grondwet, waarin de dominante positie van Servië enigszins werd ingeperkt. Hij
volgde tegelijkertijd een hardere lijn tegen de oppositie, die o.m. tot
uitdrukking kwam in zuiveringen waaraan m.n. Kroatische intellectuelen
blootstonden. |
|
|
|