Karel
V was keizer van het Heilige Rooms Rijk van 1519 tot 1558, koning van
Spanje (als Karel I) van 1516 tot 1556 en stamde uit het Huis van
Habsburg. Hij was de zoon van
Filips de Schone en Johanna van Castilië. Hij werd geboren in het
Prinsenhof in Gent, werd naar de toenmalige gebruiken door een min
gevoed en later overgebracht naar Mechelen. Daar hebben Margaretha van
York, Margaretha van
Oostenrijk, Karel de Croy-Chimay, Adriaan Boeyens en Willem de
Croy-Chièvres hem ingewijd in de protocollaire, politieke en
godsdienstige geplogendheden van het hofleven.
Voor hij in het huwelijk trad verwekte hij een bastaarddochter bij
Johanna van der Gheynst uit Oudenaarde: Margaretha van Parma die later
tot landvoogdes van de Nederlanden aangesteld zou worden. Van 1526 tot
1539 was hij gehuwd met Isabella van Portugal uit dit huwelijk werd één
zoon, Filips II, geboren en twee dochters: Maria en Johanna.
Tenslotte kreeg Karel V na de dood van Isabella nog een onechte zoon bij
de Regensburgse poortersdochter Barbara Blomberg. Ook deze Don Juan zou
een tijdlang als landvoogd over de Oude Nederlanden van het Habsburgse
rijk heersen.
Toen Karels vader op 25 september 1506 overleed werd hij vorst van de
Nederlandse gewesten. Karels grootvader,
keizer Maximiliaan I,
aanvaardde het regentschap, waarvan hij de eigenlijke uitvoering
overliet aan zijn dochter Margaretha van Oostenrijk. Op 5 januari 1515
werd Karel voor de Staten-Generaal te Brussel meerderjarig verklaard.
Dit hield in dat hij vanaf dan de verplichtingen van het regeerwerk op
zich moest nemen. Maar hij bleef niettemin nog sterk onder de invloed
van zijn opvoeders en raadslieden.
Nauwelijks een jaar nadat hij meerderjarig was verklaard overleed zijn
grootvader langs moederszijde, Ferdinand V van Aragon. Hierdoor erfde
Karel op 5 april 1516 de Spaanse erflanden, Castilië en Aragon. Pas in
het najaar van 1517 vertrok hij naar Spanje met een gevolg van
Nederlandse prominenten, aan wie hij sleutelposten in het Spaanse
staatsbestel toevertrouwde.
Na de dood van zijn raadsman Chièvres in 1521 oefende vooral Mercurio di
Gattinara (1465-1530), sinds 1518 Karels grootkanselier, een belangrijke
invloed uit op het beleid van de keizer. Hij was het brein achter de
ontmanteling van de feodale staatsstructuur, het schrappen van de
privilegies en de consolidatie van het koninklijk absolutisme. Karels
andere grootvader, keizer Maximiliaan I, die zich reeds jaren had
ingezet om de keizerskroon aan zijn kleinzoon door te geven, stierf op
12 januari 1519. Met het kapitaal van het bankiersgeslacht Fugger uit
Augsburg slaagde Karel er in om zijn verkiezing tot Rooms-koning in
hetzelfde jaar nog tot een goed einde te brengen.
Een jaar later, op 23 oktober 1520, werd Karel tot Rooms keizer gekroond
te Aken. De Oostenrijkse erflanden werden aan zijn broer Ferdinand
afgestaan. Het streven naar een Habsburgse wereldhegemonie lag binnen
handbereik: in 1521 was Karel zowel keizer van het Heilig Roomse Rijk
der Duitse Naties, als koning van Spanje en vorst van de Nederlanden.
Ferdinand verwierf door zijn huwelijk de kronen van Hongarije en Bohemen;
Karels zusters heersten over Denemarken, Noorwegen en Zweden, Portugal
en Frankrijk of stonden op het punt aan de macht te komen. Frankrijk
dwarsboomde echter de Habsburgse ambities als wereldmacht en als hoofd
van de christenheid.
Het conflict met Frans I, koning van Frankrijk en sinds 1530 Karels
zwager, spitste zich in die tijd toe rond de heerschappij over
Noord-Italië. Paus Clemens VII, een Medici en dus geïnteresseerd in de
belangen van Firenze, koos de zijde van de Franse koning, wat leidde tot
de beruchte bezetting van Rome, de 'Sacco di Roma' in 1527.
Sindsdien hoorden Italië en de Heilige Stoel tot de invloedsgebieden van
Karel: de vernederde Clemens VII kroonde de keizer op 24 februari 1530
te Bologna. Na zijn keizerskroning reisde Karel door naar zijn Duitse
gebieden waar hij onmiddellijk geconfronteerd werd met de oprukkende
Turken. Ook het opkomende protestantisme in Duitsland en de Nederlanden
baarde de keizer heel wat hoofdbrekens. De keizer was voorstander van
het houden van een algemeen concilie dat zou leiden tot een compromis
tussen protestanten en katholieken. Hij wou aan het hoofd staan van een
eensgezinde kerk als instrument om zijn imperialistische doelstellingen
te helpen realiseren.
Karels bewind is voor de Nederlanden al bij al niet zo succesvol
geweest. Ondanks de oprichting van de Collaterale Raden, de Raad van
State, de Geheime Raad en de Raad van Financiën, slaagde hij er niet het
belastingwezen en de rechtspraak voldoende te centraliseren. Als reactie
op het vorstelijk centralisatiestreven braken er geregeld stedelijke
opstanden en hongeroproeren uit, waaronder die van Gent (1539-1540) de
meest dramatische was. Tijdens zijn regering slaagde hij er wel in de
territoriale afbakening van het grondgebied der 'Zeventien Nederlandse
Provinciën' te bewerkstelligen.
Over het algemeen heeft Karel als keizer, vooral naar het einde van zijn
regeerperiode toe, zware opdoffers gekregen die het keizerlijk imago
niet ten goede kwamen. Het voornaamste doel dat hij zichzelf had
voorgehouden, met name het behoud van de eenheid binnen de kerk, heeft
hij niet bereikt. In Spanje boekte hij daarentegen wel successen dankzij
de koloniale expansie.
Na een reeks politieke en militaire ontgoochelingen deed hij op 15
oktober 1555 te Brussel afstand van zijn heerschappij over de
Nederlanden waarna hij op 16 januari 1556 troonsafstand deed in Spanje.
Filips II, zijn zoon, volgde hem in beide functies op. Zijn broer
Ferdinand, die sinds 1531 Rooms koning was, nam het keizerschap over. Op
3 februari 1557 nam Karel samen met zijn hofhouding zijn intrek in een
voor hem gebouwde villa vlakbij het klooster van de heremieten van Sint
Hiëronymus in Yuste, waar hij een jaar later stierf. |
|
|
|