De
befaamde revolutionaire architect Le Corbusier, in feite Charles-Eduard
Jeanneret, werd op 6 oktober 1887 in La Chaux-de-Fonds in Zwitserland geboren.
Hij was één van de meest radicale denkers van de nieuwe stroming
(jaren twintig van de 20ste eeuw) in de architectuur.
Zijn familie stamde volgens de legende af van Cathaarse vluchtelingen en Le
Corbusier refereerde graag naar die ketterse afkomst. De jonge Jeanneret is
bestemd om, net als zijn vader, zich te specialiseren in het graveren van
zakhorloges, waarvan La Chaux een belangrijk productiecentrum is.
Hij begint daarom zijn opleiding in 1900, aan de Ecole d’Art van zijn
geboortestad; waar zijn leraar, Charles l’Eplattenier ervan droomt om in La
Chaux een Art-nouveau centrum te vestigen.
Anders dan de meeste van zijn generatiegenoten is Le Corbusier dus aan de
gebruikelijke architectuuropleiding in de Beaux-Arts traditie ontsnapt: stap
voor stap heeft hij zelf de geschiedenis ontdekt. In dat simpele feit ligt
wellicht de verklaring voor zijn specifieke, haast fundamentalistische houding
ten opzichte van het klassieke: zijn nieuwe architectuur zal een klassiek
karakter hebben, zonder classicistisch te zijn.
L’Eplattenier is een groot bewonderaar van John Ruskin, de grondlegger van de
Engelse Arts-And-Crafs beweging, die in de tweede helft van de 19de eeuw de
basis legde voor het ideeëngoed van de internationale Art-nouveau beweging.
L’Eplattenier die oog had voor de stileringen en motieven uit de natuur, liet
zijn leerlingen de bossen intrekken om te kunnen tekenen naar deze vrije natuur;
uit studies van rotsen en sparappels worden decoratieve motieven gedistilleerd.
Die regionale ornamentiek is terug te vinden in de villa Fallet, die Le
Corbusier in 1906 realiseert onder toezicht van de plaatselijke architect René
Chappalaz. In 1903 besluit L’ Eplattenier zijn jonge leerling naar de
architectuur te oriënteren. Hoewel Le Corbusier later geen waarde meer aan dit
huis hechtte en het als jeugdzonde aanzag, is de beschouwing van zijn eerste,
door de Jugendstil beïnvloed, werk leerzaam. Het maakt op het laatste het
verschil duidelijk tegenover zijn puristische ontwerpen uit de jaren twintig en
daarnaast tegenover zijn meer plastische gebouwen in de latere periode.
De cliënt voor deze woning waaraan Le Corbusier gewerkt heeft, Louis Fallet, een
horlogeproducent, is een trouw bewonderaar en sponsor van de school; hij wenst
zich een woning zoals diegene die L’ Eplattenier in samenwerking met Chappalaz
in 1902 voor zichzelf gebouwd heeft, op dezelfde heuvelrug net buiten de stad.
Chappalaz geeft officieus de lessen over architectuur op de school, hij
aanvaardt het voorstel van L’ Eplattenier om de jonge Jeanneret te begeleiden
bij deze eerste opdracht. Het huis wordt ontworpen in een landelijke stijl, die
sterk door de Arts-and-Crafts-architectuur is beïnvloed: een bepleisterd volume
met steile puntdaken op een natuurstenen sokkel. De detaillering echter, die mag
toegeschreven worden aan Le Corbusier, in samenwerking met zijn medeleerling
André Evard, een schilder, en Léon Perrin, een beeldhouwer, draagt de stempel
van L’ Eplattenier’s onderricht.. Voor- en zij-gevel zijn in de dakpunten
versierd met gekleurde motieven, afgeleid van de sparrenbomen uit de directe
omgeving, sparrenbomen liggen ook aan de grondslag van de decoratie van de
balustrades en aan de verdeling van de ramen. De constructieve details van het
houtwerk binnen en buiten vertonen een haast organische structurele logica.
Om de opleiding van zijn pupil te vervolmaken, stuurt L’ Eplattenier de jonge
architect naar Wenen, dat hij als het culturele centrum van Europa beschouwt.
Maar eer Le Corbusier naar Wenen vertrekt, reist hij in de herfst van 1907, in
gezelschap van Léon Perrin, door Italië. Nog onder invloed van zijn
anti-klassieke opleiding bezoekt hij bijna uitsluitend middeleeuwse sites; op
deze tocht ontdekt hij het 14de eeuwse Kartuizerklooster van Galluzzo nabij
Firenze, in de vallei van de Ema. Hoewel geen enkel document uit deze periode
daarop wijst, zal Le Corbusier later bekennen dat die ontdekking zijn oeuvre
grondig heeft beïnvloed: het harmonieuze evenwicht tussen individuele en
collectieve activiteiten in het klooster maakt een onuitwisbare indruk op hem.
In Wenen bezoekt hij het werk van Otto Wagner en Jozef Hoffmann. Le Corbusier
heeft een introductie meegekregen voor het bureau van Hoffmann, maar ondanks de
goede ontvangst, wil hij er niet werken: de elegantie van de late Jugendstil
bevalt hem niet. In de schetsen voor twee villa’s in La Chaux (Jacquemet en
Stotzer), die hij in Wenen maakt, is geen invloed van Hoffmann merkbaar.
Nog in hetzelfde jaar reist hij naar Lyon, waar hij Tony Garnier opzoekt. De
invloed die deze ontmoeting op Le Corbusier heeft gehad is moeilijk in te
schatten, maar lijkt enorm. Garnier toont hem zijn tekeningen voor de Cité
Industrielle, een utopische stad in Zuid-Frankrijk, gelegen bij een stuwdam en
een mijngebied. De landbouw en industriële technieken waarvan Garnier uitgaat
zijn progressief, maar realistisch; de sociale structuur waarvoor de stad
ontworpen is, is echter gebaseerd op utopisch-socialistische idealen. De
gekleurde tekeningen tonen een heel nieuwe architecturale vormgeving die de
mogelijkheden van moderne bouwtechnieken ten volle gebruikt; alle gebouwen zijn
stralend wit als symbool van de nieuwe sociale orde. Vooral de woningen zijn
interessant: gegroepeerd in losstaande volumes zonder kroonlijst, met
binnenkoeren, dakterrassen en buitentrappen; elementen dus, die in de
architectuur van Le Corbusier in de jaren twintig zullen terugkomen. Voor het
eerst wordt Le Corbusier geconfronteerd met een nieuwe architectuur, die niet
alleen gebaseerd is op nieuwe technische mogelijkheden, maar tevens ontstaan uit
een revolutionaire sociale visie, een aspect dat ook in zijn eigen oeuvre een
belangrijke rol zal spelen. +++ (foto lagere school in 1891) +++
Begin 1908 vertrekt hij dan naar Parijs, waar hij gaat werken op het
architectenbureau van de gebroeders Perret. Auguste Perret heeft
architectuur-studies gedaan aan de Ecole des Beaux-Arts, die hij echter niet
heeft beëindigd; als zoon van een aannemer is hij niet alleen ontwerper, maar
neemt ook actief deel aan de werkzaamheden van de bouw-onderneming Perret-Frères,
Entrepreneurs. In 1908 heeft hij reeds twee opmerkelijke projecten gerealiseerd,
waar de grondprincipes van zijn architecturale aanpak duidelijk gearticuleerd
worden: een strengere constructieve logica, die zichtbaar is in gevel en
interieur, en een vereenvoudiging van de vormgeving, die echter samengaat met
een grondig respect voor de traditionele klassieke ontwerp-principes. Centraal
in zijn architectuur opvattingen staat het gebruik van gewapend beton, dat hij
als het materiaal van de toekomst beschouwt. Zijn appartementsgebouw in de Rue
Franklin uit 1903 toont de horizontale en verticale elementen van het
betonskelet in de straatgevel: door het gebruik van een verschillende bekleding
worden structurele en invulelementen duidelijk van elkaar onderscheiden. In de
garage in de Rue Ponthieu uit 1905 is voor het eerst gewapend beton in de gevel
zichtbaar gelaten, maar die gevel is opvallend klassiek van opbouw, symmetrisch,
met een middenpartij en twee identieke zijvleugels. De periode bij Perret brengt
Le Corbusier dan ook niet alleen in contact met het materiaal gewapend beton,
maar vooral met de mogelijkheden voor het gebruik van dat materiaal in de
‘grote’ architectuur, en bovendien met klassiek ontwerpmethoden en
proportiestelsels. Perret wekt in hem ook de interesse voor de Franse
rationalistische theorieën uit de 19de eeuw; het is dan ook de structurele
logica, en niet langer het ornament, die hem boeit in de glas- en staalgevels
van de Parijse Art-Nouveau ontwerpers, zoals de gevel van het warenhuis La
Sammaritaine van Franz Jourdain, of die van het glazen huis aan de Rue Réaumur
die hij vernoemt in zijn ‘Oeuvre Complète’.
In die 14 maanden dat hij halftijds bij Perret werkt, volgt hij ook theoretische
lessen aan de Ecole des Beaux-Arts, bezoekt hij musea, studeert wiskunde en
statica. Hij leest veel en niet alleen werken over architectuur, maar ook
literatuur. De brieven die hij op het einde naar L’ Eplattenier stuurt, verraden
de invloed van Nietzsche’s ‘Also Sprach Zarathustra’. Net als de profeet is hij
ervan overtuigd dat de nieuwe mens wordt geboren uit een gevecht met zichzelf,
in alle eenzaamheid gevoerd, nieuwe waarden zullen maar ontstaan uit een proces
van creatieve destructie.
Als Le Corbusier in 1909 in La Chaux terugkomt, sticht hij met enkele
studiegenoten de Ateliers d’Arts Réunis. In zijn (nooit uitgevoerd) ontwerp voor
een werkplaats voor die organisatie, vinden we de neerslag van zijn ervaringen:
een serie individuele ateliers, elk met een tuintje, zijn gegroepeerd rond een
gemeenschaps-ruimte met een piramidaal dak.
In april 1910 vertrekt hij opnieuw. Hij heeft van Ecole d’Art van La Chaux
opdracht gekregen een rapport te schrijven over de decoratieve kunsten, over het
kunstonderwijs, de productie en de verkoop van artistieke producten in
Duitsland. Hij bezoekt er dan ook scholen, fabrieken, winkels en werkplaatsen,
en ontmoet de belangrijkste protagonisten van de Duitsche Werkbund.
In Berlijn werkt hij gedurende vijf maanden bij Peter Behrens, die in deze
periode niet alleen gebouwen, maar ook industriële producten ontwerpt voor de
A.E.G.-fabrieken. De woningen waaraan Behrens op dat ogenblik aan werkt, zijn
streng classicistisch; we zullen de invloed ervan terugvinden in de woningen
Jeanneret en Favre-Jacot die Le Corbusier in La Chaux en Le Locle zal
realiseren.
Maar Berlijn bevalt hem niet, en in mei 1911 besluit hij naar het Oosten te
vertrekken met een jonge Zwitserse vriend, Auguste Klipstein. Die Voyage
d’Orient, naar het Middellandse-Zeegebied, wordt een zoektocht naar de wortels
van onze beschaving, doorheen de verschillende periodes van de menselijke
geschiedenis, in de wereld ook van mythen en rituelen. Vertrekkend vanuit
Berlijn reizen ze naar de balkan, naar Constantinopel, de berg Atos, Athene en
Delphi, en keren terug door Italië. Op een kaart die Le Corbusier van deze reis
tekent vinden we drie soorten bezienswaardigheden aangeduid: culturele
hoogtepunten, folklore en industriële verwezenlijkingen. Le Corbusier tekent,
fotografeert en schrijft: die actieve benadering helpt hem observeren, om te
ontdekken, in feite kijkt hij nu naar de menselijke artefacten zoals hij in zijn
opleiding leerde kijken naar de natuur.
De moskeeën in Constantinopel releveren hem de schoonheid van eenvoudige
geometrische volumes. Naar de Acropolis, doel van de reis, keert hij weer en
weer om de essentie van de Griekse bouwkunst te ontdekken; in één van zijn
brieven noemt hij het Parthenon een Machine Terrible. Pas een tiental jaren
later, zal hij zijn uitlating nader verklaren: voor hem is de klassieke tempel
pure création de l’esprit, ontworpen me dezelfde helderheid, eerlijkheid,
gestrengheid en economische doordachtheid als een geperfectioneerde machine.
Maar even grote ontdekkingen zijn de eenvoudig witgekalkte boerenwoningen en de
vanzelfsprekende schoonheid van de talloze gebruiksvoorwerpen die hun vorm
gekregen hebben uit hun gebruik zelf.
In Italië bezoekt hij Pompeï, waar hij schetsen maakt van plannen en
binnenzichten van enkele woningen. Op de terugweg bezoekt hij opnieuw het
klooster van Ema; ook hier maakt hij nu enkele tekeningen.
Bij zijn terugkeer in La Chaux wordt Le Corbusier belast met het
architectuur-onderwijs in de Nouvelle Section, een hogere artistieke opleiding
aan de Ecole d’Art. Het doel hiervan is een band te creëren met de industrie,
maar de plaatselijke belangengroepen gaan hiertegen in het verweer en het
experiment mislukt. L’ Eplattenier wijt een deel van dit falen aan het conflict
dat zich sinds enkele jaren tussen hem en Le Corbusier heeft afgetekend: de
zelfopvoeding van de leerling drijft die steeds verder weg van het organische
formalisme van de leraar.
Even lijkt het dan alsof Le Corbusier een bloeiende loopbaan als architect voor
de plaatselijke burgerij zal uitbouwen. Zijn ouders vragen hem een huis te
bouwen, en in 1912 volgt een tweede opdracht. In deze villa’s Jeanneret en
Favre-Jacot vinden we invloeden van Behrens en Hoffmann. Ondertussen reist hij
regelmatig naar Parijs en onderhoudt hij een bloeiende correspondentie met
William Riter, schilder en schrijver uit Neufchâtel, zodat hij zijn
betrokkenheid met het wereldgebeuren niet verliest.
In 1914 breekt de oorlog uit. Diep onder de indruk van de berichten over de
verwoestingen die in Vlaanderen zijn aangericht, zoekt Le Corbusier een systeem
dat een snelle reconstructie van woningen mogelijk maakt. Hier kan hij zijn
kennis van het gewapend beton toepassen: hij ontwerpt met een bevriend
ingenieur, Max Du Bois, een type-structuur, bestaande uit betonnen vloerplaten
die op vierkante kolommen steunen en verbonden zijn door een trapelement. De
bedoeling is deze structuur te prefabriceren; de bewoners kunnen het dan naar
eigen goeddunken aankleden en inrichten. De grote vernieuwing is de plaatsing
van de kolommen, naar binnen, los van de buitenwand, zodat niet alleen de
binnenindeling, maar ook de gevelcompositie onafhankelijk is van de structuur.
Le Corbusier maakt schetsen voor mogelijke schakelingen van dergelijke
woningtypes, aaneengeregen als de blokjes van een dominospel. In een van de
plannen herneemt hij de grondvorm van het paleis van Versailles, zoals ook de
utopische socialist Charles Fourrier had gedaan voor zijn ontwerp van een
Phalastère, een ideale woongemeenschap. De buitenvolumes zijn uitgewerkt op een
manier die sterkt herinnert aan de tekeningen van Garnier; er zijn echter ook
sterke gelijkenissen met de vroege ontwerpen van Frank Lloyd Wright, die in
Europa voor het eerst gepubliceerd werden in 1910, in Duitsland. Mogelijk heeft
Le Corbusier ze reeds gezien in de periode dat hij bij Behrens werkte, hoewel we
hiervan in zijn eigen nota’s niets terugvinden.
De domino-structuur is nooit in productie genomen, maar het principe van het
vrij maken van plan en gevels van de structuur ligt aan de basis van alle
villa’s die Le Corbusier in de jaren twintig zal realiseren. Hij gebruikt voor
het eerst een betonnen skelet in de villa van Schwob, in 1916. De opdrachtgever,
Anatole Schwob behoort tot de artistieke kring van zijn neef Raphaël, net als Le
Corbusier; beide Schwobs staan aan het hoofd van bedrijven die gespecialiseerd
zijn in het afwerken van zakhorloges. In de woning die Le Corbusier voor hem
bouwt, zijn eethoek, speelkamer, bibliotheek en haardgroep gegroepeerd rond een
centrale woonkamer, die een dubbele verdiepingshoogte heeft.
Op de verdieping geeft de overloop eveneens uit op deze ruimte; hier tegenover,
aan de tuinzijde, is een dubbelhoog raam. Die centrale ruimte is verwant aan de
centrale hal in de middeleeuwse Engelse herenhoeve, die een belangrijke
inspiratiebron was voor de architectuur van de Arts en Crafts-beweging. De
continuïteit van de ruimte die zo bereikt wordt, verwijst weer naar het werk van
Wright, maar de klassiek symmetrische opbouw van de villa is ongetwijfeld
beïnvloed door Perret. Ook in de straatgevel zitten een aantal referenties: men
herkent vaag de gevel van de garage Ponthieu van Perret, maar even duidelijk is
de gelijkenis met de gevel van Palladio’s eigen woning in Vicenza (gebouwd
omstreeks 1572), of misschien zelfs van Wrights Thomas F. Hardy-huis.
Interessant is ook de symmetrische plaatsing van de hoofd- en de diensteninkom,
die hier volkomen gelijkwaardig zijn; tien jaar later zal Le Corbusier dat
motief herhalen in de gevel van de villa Stein; hier echter zijn de inkomdeuren
duidelijk gedifferentieerd.
De villa Schwob lijkt een eerste synthese van al de invloeden die Le Corbusier
in zijn vormingsperiode heeft ondergaan, het eerste werk dat de boeiende
complexiteit vertoont die zo eigen is aan de architectuur van Le Corbusier. Ze
betekent ook het eindpunt van zijn carrière in La Chaux-de-Fonds: in 1917
vertrekt hij, in een impuls naar Parijs, waar hij zich nu permanent zal
vestigen. Hij trekt in een mansardekamer in de Rue Jacob, vlakbij
St-Germains-des-Prés; hier zal hij tot 1934 blijven wonen.
Het is weer via Perret dat Jeanneret wordt voorgesteld aan Amedée Ozenfant
(1886-1967), schilder en kunstcriticus. Hun contact zal van groot belang blijken
voor de ontwikkeling van een moderne architectuurtheorie, maar in eerste
instantie stimuleert Ozenfant de architect om weer te gaan schilderen. In
september 1918 organiseren ze hun eerste gezamenlijke tentoonstelling en ter
gelegenheid hiervan publiceren ze een manifest (het eerste kunstenaarsmanifest
na de eerste wereldoorlog): Après le Cubisme.
De echte moderne kunstenaar is, volgens hen, de ingenieur: zijn kunst is een
puur product van rationaliteit die streeft naar schoonheid en perfectie.
Schilderkunst nu moet een poging zijn om in dit analytische tijdperk toch de
fundamentele menselijk wens om harmonie te scheppen te bevredigen; hiertoe moet
men aan de voorwerpen hun plastische continuïteit teruggeven. Het is dan ook een
schilderij van Seurat dat wordt afgebeeld op de eerste bladzijde van het eerste
nummer van l’Esprit Nouveau, het tijdschrift dat Le Corbusier en Ozenfant, samen
met de dichter Paul Dermée van oktober 1920 af laten verschijnen. ++++
foto rechts : Plan Voisin (1925) ++++++
Het
purisme vindt hierin zijn spreekbuis: het is een theorie die betrekking heeft op
alle vormgevende disciplines, van ezelschilderkunst tot architectuur, en die een
methodische verfijning van de vorm voorstaan. Die pure vorm is reeds te vinden
in de zogenaamde objets-type, van zelfsprekende gebruiksvoorwerpen zoals bv.
Thonet-stoelen (die we op de tekeningen van Le Corbusier zo vaak terugvinden) en
standaard hotelporselein. Maar in l’Esprit Nouveau verschijnen ook opmerkelijke
bijdragen van buitenstaanders over allerlei facetten van het moderne culturele
leven: in de zes eerste nummers vinden we onder andere artikels over Picasso,
Apolinaire en Lautréamont, een deel van het manifest van Van Doesburg voor het
tijdschrift De Stijl en een vertaling van het beruchte manifest van Adolf Loos
uit 1908: Ornament und Verbrechen. Daarnaast zijn er bijdragen over film en over
psychologie; het zijn vooral die laatste die van belang zijn voor de theorieën
van Le Corbusier. Er is ook een serie artikels over architectuur opgenomen,
getekend met Le Corbusie-Saugnier, pseudoniemen voor Jeanneret-Ozenfant; het
pseudoniem Le Corbusier is een verbastering van de naam van één van Jeanneret’s
voorouders, een zekere Le Corbusier; in corbu moeten we corbeau, raaf herkennen,
de vogel waarop Jeanneret in profiel zo treffend geleek. Het is dan ook onder
die naam dat de architect bekend wordt en dat hij zijn carrière zal uitbouwen.
Zijn schilderijen blijft hij echter tot in 1929 ondertekenen met Jeanneret.
Die artikelenreeks zal in 1923 in boekvorm verschijnen onder de titel Vers Une
Architecture waarin Le Corbusier in heldere stellingen zijn esthetische theorie
uiteenzet. Hier vinden we de dualiteit, die ook in zijn architecturaal werk van
de twintiger jaren zo duidelijk naar voren komt: er is enerzijds de noodzaak om
een aantal functionele vereisten op te lossen met empirische vormen, anderzijds
het verlangen naar schoonheid, naar bevrediging van zinnen en intellect. De
tekst is geïllustreerd met krachtige beelden, met de meest vooruitstrevende
verwezenlijkingen van de moderne ingenieurs, met stoomschepen en graansilo’s.
Het is hier dat Le Corbusier de vergelijking trekt tussen het ontwerpproces van
een Griekse tempel en dat van een auto, enerzijds geïllustreerd met beelden van
de basilica van Paestum uit de 6de eeuw en het Parthenon uit de 5de, en
anderzijds een cabriolet Humbert van 1907 en een Delage Grand Sport van 1921.
Beide producten zijn het resultaat van een verfijningproces, dat leidt tot een
ultieme exactheid in de vorm: pure création d l’esprit.
Het is ook in die zin dat we de term machine à habiter moeten begrijpen: niet de
woning als machine die laat wonen, maar de woning als gebruiksvoorwerp dat de
perfecte, uitgepuurde vorm heeft gekregen.
Een van de motieven voor Le Corbusier om naar Parijs te verhuizen, was
ongetwijfeld zijn hoop om hier betere contacten te kunnen leggen voor de
massaproductie van zijn woningtypes. Die problematiek blijft hem bezig houden en
in 1918 wordt hij zelf industrieel: hij neemt de leiding van een minuscuul
baksteenfabriekje, dat echter in 1921 over kop gaat. In feite is het zijn
schilderkunst die hem die vijf moeilijke eerste jaren in Parijs overeind houdt,
niet alleen financieel maar ook moreel. Die schilderkunst is immers een
voortdurende inspiratiebron voor architecturale theorieën en, als we zijn
plannen bekijken, ook meer en meer voor architecturale vormen en volumes. Maar
bovendien introduceert die activiteit als beeldend kunstenaar en publicist hem
in het artistieke milieu van Parijs; hier ook zal hij een cliënteel voor zijn
architectuurpraktijk opbouwen.
In 1922 associeert hij zich met zijn neef Pierre Jeanneret (1896-1967); hun
hechte samenwerking zal duren tot na de tweede wereldoorlog. In eerste instantie
werken ze aan de verdere ontwikkeling van Corbu’s projecten voor
geprefabriceerde woningtypes. Na de oorlog zien een aantal vliegtuigproducenten
in Frankrijk hun omzet sterk dalen en gaan zich toeleggen op geprefabriceerde
noodwoningen voor de getroffen gebieden. Le Corbusier wil hiervoor een
alternatief ontwikkelen: een kwaliteitswoning met een permanent karakter,
kaderend in een steden-bouwkundig opzet. Tussen 1920 en 1922 bouwt hij zijn
domino-structuur uit tot een volledig afgewerkt woningtype, dat hij ‘Maison
Citrohan’ noemt, naar analogie met de automerknaam Citroën. De eenvoudige,
heldere vormentaal van deze woningen is op dat moment volkomen nieuw, hoewel we
in schetsen van Corbu uit 1916, voor een huis voor Paul Poiret enerzijds, en een
project voor een villa au bord de la mer anderzijds, als duidelijk een aantal
elementen kunnen herkennen: totaal ornamentloze, kubische volumes, horizontale
raamopeningen, geprefabri-ceerde elementen uit de industriebouw. Een eerste
citrohan-type is een rechthoekige doos die drie verdiepingen bevat; het bovenste
is slechts via een buitentrap bereikbaar, die ook naar het dakterras leidt.
Voor- en achtergevel zijn smal, beglaasd met industriële ramen, de zijgevels
zijn dragend, vrijwel geheel gesloten; de bedoeling is ze op te trekken in de
materialen van de streek.
Aan een tweede type heeft Pierre Jeanneret meegewerkt: de dragende muren zijn
hier vervangen door een betonskelet en de trap is in de doos verwerkt; het
geheel is op een betonnen plateau geplaatst, dat op kolommen rust en bereikbaar
is via een buitentrap. Een plaasteren maquette van dit type was te bezichtigen
op het Salon d’automne in 1922.
De
woningen hebben een duidelijk mediterraan karakter; de kubistische, witte
architectuur herinnert aan eenvoudige boerenwoningen in Griekenland. De
buitentrap is eveneens een traditioneel landelijk element: we vinden hem zowel
in houten woningen in het noorden, als in stenen types in de Provence; ze komen
vaak voor op de schetsen van Le Corbusier, van zulke huizen, maar we treffen ze
ook aan op de tekeningen van Garnier’s Cite Industrielle. Dat is ook het geval
voor dakterrassen; Le Corbusier voelde zich kennelijk aangetrokken door omsloten
buitenruimten, zoals blijkt uit de schetsen van de Balkanhuizen met hun rijk
beplante binnenkoeren, en van de tuintjes aan de cellen van het klooster van Ema,
die hij maakte op zijn voyage d’orient. De hoge woonruimte met insteekverdieping
vinden we reeds in villa Schwob, maar dergelijke ruimten behoren ook tot de
Parijse typologie van de atelierwoningen voor ambachtslui en artiesten uit de
19de en begin 20ste eeuw, waar in de werkruimte een duplex was voorzien als
slaap- en bergruimte. Le Corbusier zelf verwijst naar een klein volksrestaurant
waar hij en Ozenfant wel eens aten en waar achter in de hoge ruimte een
insteekverdieping gebouwd was.
De citrohan-woningen zijn duidelijk niet bedoeld als werkmanswoningen: in beide
types vinden we een ‘chambre de bonne’ en de ruimte onder het plateau in het
tweede type wordt o.a. gebruikt als garage, en dat in een tijdperk dat het bezit
van een privé-voertuig nog enkel voor een elite was weggelegd. Wel werkt Le
Corbusier nog een aantal varianten uit, waaronder één maison d’artiste (1922) en
een maison d’artisan (1924).
In 1923 krijgt hij van de industrieel Henri Fruges de opdracht een arbeiderswijk
te bouwen in Pessac, bij Bordeaux (voltooid in 1926). De typewoningen hier zijn
wat vormgeving betreft, zeer verwant aan de citrohan-woningen, maar ze zijn
aangepast aan de status van de arbeiders: hier geen duplexruimten, maar
gestapelde appartementen, klein en comfortabel. Interessant is het kleurgebruik
dat Le Corbusier hier voor het eerst op de buitenvolumes toepast. De gebruikte
kleuren van de omgeving : roodbruin zoals de aarde, hemelsblauw… in feite worden
de volumes door dat kleurgebruik versnipperd, minder zwaar, zodat het geheel
ruimtelijker wordt. De citrohan-woningen zijn nooit in productie genomen, maar
Le Corbusier realiseerde een prototype in de modelwijk Weissenhofsiedlung in
Stutgart, 1927.
De typologie die hier ontwikkeld werd heeft wel toepassing gevonden in
verschillende woningen voor kunstenaars, die Corbu in deze periode
verwezenlijkt, o.a. voor Ozenfant en voor Guiette; de duplexkamer wordt dan niet
gebruikt als woonkamer, maar als atelier, en de insteekverdieping wordt
bibliotheek.
Gelijktijdig met die landelijke typewoningen werkt Le Corbusier zijn stedelijke
concepten uit. Op het Salon d’ Autonomne van 1922 zendt hij een model in voor
een Ville Contemporaire pour trois millons d’habitants. Opvallend is de uiterst
ordelijke, rationalistische en duidelijk hiërarchische opbouw van de stad op een
orthogonaal raster; twee supersnelwegen kruisen elkaar in het centrum, waar een
verkeersknooppunt ontstaat met verschillende verdiepingen. Hierrond zijn glazen
wolkenkrabbers met kruisvormig plan gegroepeerd waar in de handels- en
administratieve functies gevestigd zijn. Daarrond wonen de 60.000 burgers, de
elite van de bewoners: industriëlen, wetenschapsmensen, intellectuelen,
artiesten,… voor hen ontwerpt Corbu twee woonvormen: het dichtst bij het centrum
bevinden zich de blocs à redents: appartementsgebouwen die zich in een soort
meanders door het groen slingeren; verderop zijn de immeubles villa ingeplant,
rond binnentuinen. Elk van die types bevat luxueuze appartementen met
duplexruimten en individuele terrassen en bovendien een aantal
gemeenschappelijke voorzieningen, geïnspireerd op de room-service in luxehotels
of op oceaanstomers. Het centrum is omzoomd met een groene gordel, met
recreatiegebieden (sport heeft altijd een belangrijke plaats ingenomen in de
leefwereld van Corbu’s nieuwe mens); in het oosten strekt zich dan het
industriegebied uit. De arbeiders wonen in een soort tuinsteden, in kleinere
appartementen, die echter ook voorzien zijn van duplexruimten en terrassen.
Het model is bedoeld als een soort visionair richtplan voor steden-bouwkundige
veranderingen. Le Corbusier maakt dan ook al in 1922 de eerste schetsen voor een
toepassingen van deze ideeën op de specifieke situatie in Parijs. Voor de
uitwerking van het plan zoekt en vindt hij een sponsor in de auto-industrie:
Gabriel Voisin. Het plan Voisin wordt in maquettevorm, naast de plannen voor de
Ville Contemporaine, tentoongesteld op de Exposition des Arts Decoratifs in
1925, in een annex van het pavillion l’Esprit Nouveau.
In feite is dit paviljoen een model op ware grootte van één wooneenheid uit de
immeuble villa, een soort doos die in een betonnen structuur kan geschoven
worden.
Het appartement is gepland rond een overdekt terras, dat twee verdiepingenhoog
is; in de woonkamer is weer een gedeelte met dubbele hoogte dat in de voorgevel
helemaal beglaasd is. In het interieur vinden we naast Thonetstoelen, lederen
clubzetels en standaard vaatwerk een aantal meubels die Le Corbusier ontworpen
heeft: meubels in buisprofiel en gestandaardiseerde kastelementen, die als
ruimtelijk element in de kamers geplaatst zijn. Verder zijn er schilderijen van
Léger, Ozenfant en Jeanneret (zo tekende Le Corbusier zijn schilderijen in deze
periode), en beelden van Lipchitz en Laurens. Het geheel is een concrete
toepassing van de principes die Le Corbusier in zijn boek: L’Art Décoratif
d’Aujourd’hui (1925)
Van 1922 af voeren Le Corbusier en Jeanneret ook verschillende privé-opdrachten
uit. Een eerste kleine villa in Vaucresson; een eenvoudig buitenvolume waar zeer
veel aandacht wordt besteed aan de plaatsing en de verhouding van de horizontale
ramen.
De woning Ozenfant is gebouwd op een onregelmatig terrein; een betonstructuur
maakt het mogelijk de hoek open te werken, zodat het atelier, een duplexruimte
met galerijbibliotheek op de hoogste verdiepingen, twee enorme raamvlakken
bevat, uitgevoerd in gestandaardiseerde profielen.
Het huis La Roche-Jeanneret is een dubbelwoning op een inpandig terrein in
Parijs; hiervoor zijn verschillende voorontwerpen gemaakt. Eén deel van de
woning, voor de familie van Corbu’s broer, is een eenvoudig huis voor een gezin
met kinderen, met een vlakke gevel met bandramen en een dakterras. Het andere
deel is een woning voor de vrijgezel Raoul La Roche, bankier en fervent
verzamelaar van puristische kunstwerken. Aan het huis is een
tentoonstellingsruimte op pilotis gebouwd. Dat gegeven leidt tot de ontwikkeling
van een eerste promenade architecturale, een wandeling door het huis langsheen
zeer gevarieerde perspectieven met licht- en schaduweffecten en doorzichten naar
buiten. In de tentoonstellingsruimte, die weer een dubbele kamerhoogte heeft,
leidt een hellend vlak langs de gebogen buitenwand naar de hoogste verdieping
waar de bibliotheek gelegen is.
In dit huis vinden we ook een eerste toepassing van polychromie in de
binnenruimte: terwijl de buitenwanden stralend wit zijn, zijn de binnenmuren
geschilderd in zachte tinten, die soms de volumes beter tot hun recht doen
komen, maar op andere plaatsen ruimte te scheppen door die volumes in vlakken te
verdelen.
Na 1925 volgt een reeks luxueuzere villa’s. Rond deze tijd heeft Le Corbusier
zijn vijf punten voor de nieuwe architectuur duidelijk omschreven:
- Als eerste
punt vorderde Le Corbusier de zogenoemde pilotis. In plaats van de vroeger
gebruikelijke sterke fundamenten waar op het gebouw rustte zonder dat de
architect berekeningen maakte, heeft men nu enkele fundamenten en in
plaats van de muren de pilotis. De last, die op deze werkt, wordt precies
berekend en de kolommen in dezelfde afstand opgesteld, waarbij de
binnenconstructie niet van belang is. De pilotis tillen het huis op. Zo
krijgen de ruimtes licht en lucht.
- Ten tweede
eiste Le Corbusier tuinen op de platte daken. Deze beschermen het dak en
de beton.
- Op derde
plaats noemde hij de vrije organisatie van de plattegrond. Omdat het
systeem van pilotis het plafond draagt, kunnen de tussenwanden naar
believen geplaatst worden. Er zijn alleen nog membranen, maar geen
dragende muren meer.
- De vierde
vordering vormden de fenêtres en longeur, lange vensters, welke van piloti
tot piloti reiken, zodat men geen vensters op korte kant meer heeft, maar
erg lange vensterbanden.
- Uiteindelijk
gaat hij in het vijfde punt op de vrije indeling van de façade in. De
vloer en het plafond stekken uit, want de pilotis naar binnen teruggezet
zijn. Zo is de façade vrij in te delen, bijvoorbeeld door de lange
vensters.
|
In
de villa Cook uit 1926 zijn al deze principes toegepast in een huis met een
eenvoudige grondvorm; de klassieke organisatie van de burgerwoning is hier op
zijn kop gezet: de benedenverdieping is open, vrij, de woonvertrekken zijn
ingericht op de hoogste verdieping. In zijn artikel Six Houses merkt Tim Benton
op dat een huis van Le Corbusier beklommen wordt als een berg …
Villa Stein (1926) herhaalt dat principe, maar is complexer van opbouw. Het
betonskelet is geplaatst op een a-b-a-b-a-ritme, een klassiek schema dat reeds
in de 16de eeuw werd toegepast. Maar, waar in de renaissance dergelijke
ordeningen aanleiding gaven tot een centralistische planopbouw, is in deze villa
de ruimteverdeling zeer complex. Twee terrassen die elkaar gedeeltelijk
overlappen, doorboren het binnenvolume; op elke verdieping is het plan anders
ingedeeld, wanden en volumes geven een zeer exact antwoord op de vereisten van
elke specifieke plaats.
In hetzelfde jaar ontstaan de twee huizen voor de Weissenhof-Siedlung in
Stuttgart: één citrohan-type en een dubbelwoning waar geëxperimenteerd wordt met
schuifwanden, zodat de kleine leef- en slaapruimten naar behoefte kan worden
ingedeeld of open gelaten.
De villa Savoye dateert uit 1928. Het is een soort belvédère die aan vier zijden
uitkijkt over een schitterend landschap. Tussen de pilotis op de
benedenverdieping zijn de dienstruimten en de garage gegroepeerd in een volume
waarvan de vorm bepaald wordt door de draaicirkel van
de
auto; op de eerste verdieping bevinden zich de woon- en slaapvertrekken en een
omsloten terras. Op de tweede verdieping is een daktuin ingericht met een
solarium; hier kan men ten volle genieten van het panorama. +++ foto
rechts : villa savoye +++
In zijn schema quatre compositions, waar de huizen La Roche, Stein, Savoye en
een theoretisch model worden vergeleken, synthetiseert Le Corbusier zeer helder
de dualiteit tussen de praktische vereisten van de opdrachtgever, waaraan moet
voldaan worden in de organisatie van het plan, en de ordende concepten van
architect, die moeten zorgen voor een intellectuele en esthetische bevrediging;
een dualiteit die hij oplost door een zeer gesofisticeerd spel met structuur en
opvulling.
De villa Savoye sluit een eerste tijdvak af in het oeuvre van Le Corbusier. Meer
en meer gaat hij zich buigen over grootschaliger projecten. Zijn
stedenbouwkundige interesse worden van 1928 af nauw verbonden met de activiteit
rond de CIAM-congressen, waar hij zich in de dertiger jaren profileert als de
leidinggevende persoonlijkheid.
In de crisisjaren verliest hij gedeeltelijk zijn geloof in industrialisatie als
motor voor sociale vooruitgang. Omdat hij in die moeilijke periode minder
opdrachten kan uitvoeren, gaat hij weer meer schilderen; de evolutie die hij op
dit terrein ondergaat zal uiteindelijk ook een vernieuwing teweeg brengen in
zijn architecturaal werk.
Het huis Guiette, gebouwd in 1926, blijkt in die context een mooie synthese van
Le Corbusier’s werk uit die eerste periode: enerzijds is het een privé-woning
waar de specifieke eisen van de opdrachtgever zijn opgelost in een typisch
corbusiaanse vormentaal; anderzijds is het gebouwd op een smal perceel, wat
aanleiding heeft gegeven tot een woning die in grote lijnen past in de
citrohan-typologie.
Later ging Le Corbusier zich meer bezighouden met grotere bouwwerken en
stedenbouwkundige planningen en dit zowel dicht bij huis als in het buitenland.
Nadat hij al in 1922 het model van de 'Ville Contemporaine' en in 1925 de 'Plan
Voisin' had uitgewerkt, publiceerde Le Corbusier in 1935 een verder
stedebouwkundig project, 'Le Ville Radieuse'. Deze modellen concipieerde hij
allemaal met de bedoeling, de bruutheid en onmenselijkheid van de steden te
bestrijden, bijvoorbeeld door het scheppen van groenvoorzieningen en
gemeen-schappelijke huizen, daarnaast door het voorleggen van oplossingen voor
de problemen met het verkeer. Le Corbusiers sterk bekritiseerde stedebouwkundige
planningen bleven meestal visioenen en werden bijna nooit gerealiseerd.
Toen Duitse troepen in 1940 Parijs bezetten beëindigde Le Corbusier de
samenwerking met zijn neef Pierre Jeanneret, sloot hun atelier en verhuisde naar
Zuid-Frankrijk, waar hij en Auguste Perret door de Vichy-regering ondersteund
werden.
Al vanaf ongeveer 1935 veranderden langzaam Le Corbusiers denkbeelden en
voorstellingen, die dan vooral voor zijn werk na de Tweede Wereldoorlog gevolg
hadden. In die tijd begon een nieuwe fase in zijn loopbaan, in welke niet meer
zo sterk de aanpassing aan de technische beschaving in de voorgrond stond, maar
hoofdzakelijk de terugkeer naar het oorspronkelijke, eenvoudige leven. Niet
alleen om die reden is Le Corbusier zijn latere werk aan de ene kant
gekarakteriseerd door het gebruik van natuurlijke en onbewerkte materialen, maar
aan de andere kant ook bestemd door een plastische, meer monumentale stijl.
In aansluiting aan deze veranderde principes bouwde Le Corbusier bijvoorbeeld in
1947 de Unité d' habitation in Marseille daarnaast in 1950 de kapel
Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp
Het
ontwerp van de Unité d' habitation ontstond uit de idee, een gebouw te scheppen,
zoals het Kartuizerklooster in Galluzzo, dat op Le Corbusier sterke indruk
gemaakt heeft, waarin vele mensen in een gemeenschap kunnen samenleven. Omdat
hij van mening was, dat de grote steden brut en erg onmenselijk zijn,
concipieerde hij hier een huis, welk na het voorbeeld van de kloosterlijke
levensgemeenschap een zogenoemd 'cel' voor iedere familie voorzag en evenwel een
bouwlaag met winkels en cafés en een daktuin voor sportieve activiteiten. Zoals
te zien wordt het gebouw weliswaar door pilotis getild, die echter nu
plastischer gemodelleerd en robuuster zijn. Het sterkere gebruik van krachtige
kleuren, de onbewerkte béton brut en de beschermingen tegen de zon zijn
kenmerken voor de realisatie van Le Corbusiers nieuwe voorstellingen. Naast de
prototype in Marseille bouwde Le Corbusier vervolgens nog vijf 'Unités' in
verschillende plaatsen: in Nantes-Rezé (1952), in Meaux, in Briey-en-Foret, in
Berlijn (1957) en tenslotte in Firminy-Vert (1963).
Nog een plastischere en organischer gestalte gaf Le Corbusier de bedevaartkerk
Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp. Voor de grote en wisselende massa van pelgrims
concipieerde hij een complex van een gecombineerde binnen- en buitenkerk.
Gebogen lijnen en het monumentaal, uitstekkend dak in de vorm van een schelp,
wekken een immense, plastische indruk. Aangepast aan het wisselend licht van de
tijden van de dag en de jaargetijden zijn de vensters, die op luiken gelijken,
verschillend gevormd.
De beschrijving verduidelijkt, dat Le Corbusier met het ontwerp van deze kapel
de overgang naar een plastische stijl in het bijzonder lukte.
Vanaf 1951 realiseerde als 'Government Architectural Adviser' het project voor
de Indische stad Chandigarh.
Bovendien mogen ook het klooster Sainte-Marie-de-la-Tourette in
Eveux-sur-l'Arbresle bij Lyon (vanaf 1953) en het Unité d' habitation in
Marseille, Massachusetts (1961-1964), niet ongenoemd blijven, omdat ze
belangrijke werken van zijn laatste scheppingsperiode zijn.
Tijdens een vakantieverblijf in Cap Martin overleed Le Corbusier op 27 augustus
1965. |