Op
13 oktober 1925 werd de eerste vrouwelijke Britse minister-president geboren :
Margaret Thatcher.
Margaret Hilda Thatcher-Roberts (sinds 1992 : Lady) werd de eerste vrouwelijke
Britse minister-president. Zij werd bekend als de IJzeren dame en
was premier van 1979 tot 1990. Deze Britse conservatieve politica werd geboren
in Grantham, Lincolnshire en studeerde tot 1947 scheikunde en kunstgeschiedenis
in Oxford, en daarna van 1951 tot 1954 rechten. In 1959 werd zij voor de
Conservatieve Partij in het Lagerhuis gekozen. Van 1970 tot 1974 was zij
minister van Opvoeding en Cultuur in het kabinet-Heath. In de jaren 1974-1975,
het begin van een nieuwe periode van oppositie van de Conservatieven, ontstond
binnen de partij een strijd om het leiderschap, die Thatcher eerst van E. Heath
won en daarna van W. Whitelaw.
In febuari 1975 werd zij tot leider van de Conservatieve fractie in het
Lagerhuis en daarmee tevens tot partijleider gekozen. In mei 1979 wist zij bij
de verkiezingen haar partij naar een overwinning te voeren, die de absolute
meerderheid in het Lagerhuis opleverde. Thatcher werd de eerste
vrouwelijke premier van Groot-Brittannië.
Haar politieke filosofie en haar beleid werden bekend onder de noemer
thatcherisme, een mengeling van radicaal liberalisme (vooral in economische
zaken) en reactionair conservatisme, met name in politieke en zedelijke
kwesties. De vrije markt en het traditionele gezin vormden in deze visie de
grondslag voor de natie, die voor haar vooral Engels en blank is en moest
blijven.
Haar eerste regeerperiode (1979-1983) werd gedomineerd door een zeer ernstige
economische depressie (verhevigd door de effecten van het gevoerde beleid), en
door de oorlog met Argentinië in 1982 om het bezit van de Falklandeilanden. Het
succesvolle verloop daarvan bezorgde Thatcher in 1983 een klinkende
verkiezingsoverwinning. De tweede regeerperiode werd in de eerste plaats
gekenmerkt door een offensief tegen de vakbonden, dat culmineerde in de
mijnwerkersstaking van 1984-1985. Andere opmerkelijke episoden waren de
totstandkoming van het akkoord van Hillsborough, met de Ierse Republiek,
aangaande Noord-Ierland, het conflict met Michael Heseltine in de 'Westland-crisis',
de strijd tegen de EG over de hoogte van de Britse bijdrage, en de start van het
privatiseringsprogramma dat uiteindelijk het merendeel van de staatsbedrijven in
particuliere handen zou brengen. De verkiezingen van 1987 leverden Thatcher weer
een grote verkiezingszege op.
De economische politiek van het thatcherisme bleek een mislukking: ondanks tien
jaar monetarisme en vrijemarktpolitiek was de rentestand noch de werkloosheid
gedaald, en was de concurrentiepositie van de Britse industrie verre van
rooskleurig. Dit leidde ertoe dat de Labourpartij in 1990 voor het eerst weer
ruim voor kwam te liggen in de opiniepeilingen. Binnen de Conservatieve Partij
waren het twee van Thatchers favoriete onderwerpen die haar steeds meer
isoleerden: de vervanging van de onroerendgoedbelasting door een regressieve
personele belasting (de 'poll tax'), en haar anti-Europese beleid.
Thatcher zag zich in november 1990 gedwongen af te treden, nadat Michael
Heseltine in de leiderschapsverkiezingen van de Conservatieven onverwacht veel
stemmen bleek te vergaren. Politiek monddood werd zij niet: zij speelde
sindsdien in binnen- en buitenland de rol van de 'elder stateswoman' en plaatste
zich met de voor haar karakteristieke, bijtende welsprekendheid aan het hoofd
van de anti-Europese vleugel in de Conservatieve Partij. In juni 1992 werd zij
lid van het Hogerhuis. |
|
|
|