Na
de dood van Caesar brak er een burgeroorlog uit.
Caesar's adoptiefzoon Octavianus versloeg de moordenaars van Caesar
en kreeg de macht voor zich alleen. Hij werd de eerste keizer van het
Romeinse Rijk.
Octavianus maakte een verdeling in keizerlijke provincies (Spanje, Gallië,
Illyrië, Sardinië, Corsica en gebieden in Klein-Azië) die hij zelf via
afgezanten bestuurde en Senaatsprovincies (de andere provincies). Op 13 Januari
27 v.Chr. gaf Octavianus zijn buitengewone bevoegdheden terug aan de Senaat,
waardoor de republiek in naam werd hersteld. Hij kreeg echter naast de eretitel
Augustus, verhevene, zoveel bevoegdheden van de Senaat terug, dat hij feitelijk
alle macht in handen hield en hij kon regeren als een vorst.
Hij bezat het oppercommando over de drie provincies in de grensgebieden met de
grootste legers: Gallië, Spanje en Syrië en hij nam de militaire titel imperator
aan. Vanaf 23 v.Chr. kreeg Augustus tevens de bevoegdheid van volkstribuun,
waardoor hij de beschikking kreeg over het veto-recht. Met dit recht kon hij
elke beslissing van de Senaat ongeldig verklaren. Augustus voerde een staand
leger in met een diensttijd van zestien a twintig jaar. Hij gebruikte zijn leger
om de grenzen te verdedigen.
Augustus wou zoveel mogelijk natuurlijke grenzen, dus daarom moesten zijn
generaal Agrippa en zijn stiefzonen Tiberius en Drusus nog een harde strijd
voeren, met name in de Donaulanden. De natuurlijke grenzen werden gevormd door
de rivieren (Rijn, Donau en Eufraat), woestijnen (Sahara en de Arabische
woestijn) en zeeën (Atlantische Oceaan en de Zwarte zee).
In 9 v.Chr. werd ter ere van de algemene vrede, de Pax Romana, te Rome
een altaar ingewijd en in 9 n.Chr. probeerde
Augustus het gebied tussen de Rijn en de Elbe aan zijn rijk toe te voegen.
Hij leed echter een verpletterende nederlaag. Na zijn dood werd hij goddelijk
verklaard. |
|
|
|