|
Otto
von Bismarck werd geboren in Schönhausen op 1 april 1815.
Deze Duitse staatsman was de
zoon van de ex-ritmeester Ferdinand von Bismarck (1771–1845) en
Wilhelmine Mencken (1790–1839), die uit een aanzienlijke burgerlijke
liberale familie afkomstig was. Bismarck studeerde rechten te Göttingen
en Berlijn. Hij koos daarna voor een ambtenarenloopbaan (hij was als
regeringsreferendaris van 1836 tot 1838 verbonden aan de rechtbanken van
Berlijn, Aken en Potsdam, maar achtte zich bij nader inzien daarvoor
toch niet geschikt). Na zijn dienstplicht te Greifswald te hebben
vervuld (1838–1839), hield hij zich met de administratie van het
Pommerse en Saksische familiegoed bezig. Na de dood van zijn vader
vestigde hij zich te Schönhausen. Zijn vriend Moritz von Blanckenburg
bracht hem in contact met de piëtistische beweging (zie
piëtisme).
In deze kring vond hij Johanna von Puttkamer, met wie hij van 1847 tot
1894 gehuwd was, een zeer vrome vrouw, die hem drie kinderen schonk.
In 1847 werd Bismarck lid van
de Verenigde
Landdag in
Pruisen, door Frederik Willem IV bijeengeroepen, en daarmee begon zijn
politieke loopbaan. Als overtuigd legitimist (zie legitimisten) koos hij
resoluut de uiterste rechterzijde. Zijn conservatieve
Pruisisch-monarchale instelling bleef in feite tot zijn dood onverzwakt
en kleurde zijn politieke opvattingen, hoe weinig dogmatisch zijn door
en door realistisch en op de concrete situatie gericht staatsmanschap
ook was. Die verbinding juist van zijn conservatieve grondhouding met
een diplomatieke soepelheid en pragmatisme, die dikwijls op een cynisch
machiavellisme neerkomen, maakt het unieke van Bismarcks historische
verschijning uit. Tijdens de Maartrevolutie (zie revolutiejaar 1848)
wilde hij met zijn boeren naar Berlijn om de koning tegen de liberale
burgerij te verdedigen. Hij werd in 1851 Pruisisch afgevaardigde bij de
nieuwe Bondsdag te Frankfurt. Tijdens de Krimoorlog, toen het tussen
Oostenrijk en Rusland tot een breuk kwam, kritiseerde hij de jegens
Oostenrijk te welwillende houding. Vanaf dat tijdstip werd de goede
verhouding tot Rusland voor hem feitelijk een axioma van de Pruisische
politiek, waaraan hij tot zijn einde heeft vastgehouden. Van 1859 tot
1862 was hij ambassadeur te St.-Petersburg, waar hij zijn diplomatieke
vorming verder voltooide en tal van belangrijke relaties, o.a. met
Alexander II, wist aan te knopen, die hem later goed van pas zouden
komen. In 1862 werd hij overgeplaatst naar Parijs. Na het scherpe
conflict tussen de nieuwe koning Wilhelm
I en de liberale meerderheid van het Huis over de nieuwe legerwet
dreigde er een ernstige staatscrisis, waarbij Wilhelm aan abdicatie
dacht. In die situatie werd Bismarck tot het minister-presidentschap
geroepen als enige die bereid was de verantwoordelijkheid voor de
doorvoering van de politiek van de koning op zich te nemen. Tevens
aanvaardde hij de portefeuille van Buitenlandse Zaken (8 oktober 1862).
Hij regeerde tot 1867 tegen de
meerderheid van het Huis, dat hem de begrotingsgelden weigerde, waarbij
hij volhield dat zijn beleid niet inconstitutioneel was en dat het Huis
van Afgevaardigden later de kans moest krijgen om zijn door het
Herenhuis goedgekeurde wetten alsnog te sanctioneren (Konfliktzeit).
Met even grote doelbewustheid als meesterlijke berekening stuurde hij nu
aan op een oplossing van de Duitse kwestie ten gunste van de Pruisische
monarchie. Toen in 1863 de
Sleeswijk-Holsteinse kwestie acuut werd, ging hij onbekommerd tegen de
wensen van de Duitse middenklasse en het Duitse nationalisme in, door
Christiaan IX van Denemarken als rechtmatig opvolger in de hertogdommen
te erkennen, waarbij hij zich op de besluiten van de internationale
conferentie van Londen (1852) beriep. Maar tegen het Deense streven om
Sleeswijk te incorporeren, dreef hij samen met Oostenrijk bij de Bond
een voorstel tot militaire interventie door. De oorlog tegen Denemarken,
die weldra (jan. 1864) uitbrak, eindigde natuurlijk met een nederlaag
van dat laatste land tegen het Oostenrijks-Pruisische leger. Maar
Bismarck wist te verhinderen dat de Duitse kandidaat voor de
hertogskroon, Frederik von Augustenburg, de opvolger werd, zoals de
Duitse Bond en heel de eenheidsbeweging wensten. In plaats daarvan
stelde hij de hertogdommen onder Pruisisch-Oostenrijks militair bewind
buiten de Bond om (Verdrag van Gastein, 1865). Wrijvingen over dit
gezamenlijk bestuur voerden tot de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (15
juni – eind juli 1866). Hoewel Bismarck het revolutionaire Italië aan
zijn kant had weten te brengen, Rusland welwillend neutraal bleef en hij
ook Napoleon III tot een afzijdige houding had kunnen bewegen (Biarritz
1866), vond hij vrijwel de gehele Bond en bovendien de Duitse publieke
opinie tegenover zich. Na de snelle militaire overwinning moest hij zich
met de grootste inspanning verzetten tegen de legerleiding en de koning,
die een voor Oostenrijk vernederende vrede wilden, terwijl Bismarck met
het oog op de toekomst Oostenrijk niet definitief kon afstoten. De Vrede
van Praag
werd dankzij Bismarck zeer gematigd. Pruisen was, ook als hoofd van de
nieuwe Noord-Duitse Bond, de leidende mogendheid in Duitsland geworden
en Oostenrijks rol in dit opzicht was definitief uitgespeeld. Na de
overwinning begonnen de Pruisische oppositiepartijen bovendien bij te
draaien en Bismarcks politiek werd gesanctioneerd door een
Indemniteitswet (1866).
De Spaanse troonkandidatuur
werd in 1870 aanleiding tot de door Bismarck onvermijdelijk geachte
oorlog tegen Frankrijk, die hij door de publicatie van de befaamd
geworden Emser Dépesche op uiterst handige wijze wist uit te lokken.
Tijdens deze oorlog, waarbij ook de Zuid-Duitse staten aan de kant van
de Noord-Duitse Bond meevochten, kwam het Tweede Duitse Keizerrijk tot
stand (Versailles, 18 januari 1871). Wilhelm I werd ‘Duits keizer’ en
Bismarck werd
rijkskanselier.
Mede dankzij zijn superieure diplomatie had hij de Duitse eenheid tot
stand gebracht in ‘zijn’ geest, dwz. als een verbond van de vorsten op
semi-legitimistische grondslag en niet in de liberale zin als een
constitutionele, door de burgerij gedragen staat. Aan de Pruisische
monarchie had hij daarbij de leiding weten te geven. Hij was van de
meest impopulaire de meest populaire man in Duitsland geworden. De
Nationaal-Liberale Partij had zich van de meer progressieve
‘Fortschrittspartei’ losgemaakt en werd samen met de conservatieven een
binnenlandse steun van de kanselier. Bismarck, die reeds 15 april 1865
in de gravenstand was verheven, kreeg nu 21 maart 1871 de titel van
Fürst, erfelijk bij recht van eerstgeboorte.
Wat
de binnenlandse verhoudingen betreft, slaagde Bismarck er niet in
de uiterlijke eenheid door te voeren. De nieuwe staatsregeling met haar
evenwicht tussen federalisme en unitarisme was ingenieus bedacht, maar
te zeer op zijn persoonlijkheid afgestemd, wat vooral gold voor het
centrale ambt van de rijkskanselier, welke functionaris tegelijkertijd
minister van Buitenlandse Zaken en minister-president van Pruisen zou
wezen. De beide volkspartijen, het Rooms-Katholiek Centrum en de
Sociaal-Democratie, bestreed hij achtereenvolgens met alle middelen,
omdat hij er vijanden van de Duits-Pruisische eenheid op monarchale
grondslag in zag ( Kulturkampf
tegen het Centrum, 1872–1879; Socialistenwetten tegen de
sociaal-democraten, 1878–1890). Beide pogingen liepen in feite op een
echec uit. Tijdens de Kulturkampf was een deel van de Oud-Pruisische
conservatieven in de oppositie gegaan en toen hij ter wille van de
(conservatieve) agrariërs in 1878 de protectionistische weg opging,
verloor hij de steun van de meeste liberalen. Met het Centrum had hij
zich noodgedwongen moeten verzoenen. Toch vond hij in de Centrumleider
Windthorst in de Rijksdag een bekwame oppositieleider. Slechts met
moeite kon hij zijn sociale wetgeving onderdak brengen, daar hij alleen
in het Pruisische Huis van Afgevaardigden een vaste meerderheid had. Het
conflict naar aanleiding van de tweede verlenging van de Septennaatswet
van 1874 (d.i. de voor zeven jaar vastgestelde militaire begroting) in
1887 leidde weliswaar weer tot een nationale aaneensluiting, het
Kartell, van nationaal-liberalen en conservatieven ten gunste van
Bismarck, maar de verkiezingen van febr. 1890 brachten hem een
bedenkelijke nederlaag. De onderdrukte sociaal-democraten hadden hun
werfkracht vergroot. Als uiterste redmiddel overwoog Bismarck
verscherping van de socialistenwetten, afschaffing van het algemeen
kiesrecht, provocering van een arbeidersopstand en dan reorganisatie van
de staat in federatieve en minder parlementaire geest. Door zijn
aftreden is hier niets meer van gekomen.
Op buitenlands terrein
wist hij door een uiterst ingenieus en gecompliceerd systeem van
verdragen de Duitse positie te handhaven, al slaagde hij er slechts in
de problemen te verdringen en niet blijvend op te lossen. Uitgaande van
de constante vijandschap van Frankrijk, was zijn hoofddoel dit land te
isoleren. Daarvoor bleef de goede verhouding tot Rusland zijn
voornaamste zorg. In de
Driekeizerentente van juni 1873 slaagde hij erin Rusland en Oostenrijk,
die op gespannen voet stonden en wier belangen op de Balkan zo
gevaarlijk botsten, in principe tot een samengaan over te halen, al
bleef dit uiterst labiel. Toen de Russisch-Engelse tegenstelling, maar
ook de Russisch-Oostenrijkse op de Balkan tijdens de Russisch-Turkse
Oorlog van 1877–1878 tot een gevaarlijke crisis leidde, slaagde Bismarck
op het Congres van Berlijn (1878) erin, het geschil als ‘eerlijke
makelaar’ tot een schijnbare oplossing te brengen, al bewezen de houding
van de panslavistische pers en de Russische militaire maatregelen in de
volgende jaren, dat er een breuk in de Russisch-Oostenrijkse en zelfs in
de Russisch-Duitse verhouding was gekomen. Daarom sloot hij in okt.
1879, tegen de zin van de keizer in, een defensief bondgenootschap met
Oostenrijk tegen Rusland, dat door toetreding van Italië in mei 1882 tot
een Triple Alliantie uitgroeide (Italië en Frankrijk waren door de
Franse verovering van Tunis in 1881 fel tegenover elkaar komen te
staan). Toch wilde hij altijd ‘de draad naar Rusland’ intact laten, wat
ook in St.-Petersburg bijval vond, gezien de Engels-Russische
tegenstellingen. De Driekeizerentente werd verlengd (in juni 1881 en
maart 1884) en in 1887 sloot Bismarck met de Russische minister van
Buitenlandse Zaken, von Giers, het Rückversicherungsvertrag,
waarbij Duitsland toezeggingen deed omtrent zijn gedesinteresseerdheid
op de Balkan, tenzij Rusland een oorlog met Oostenrijk provoceerde. Een
poging om ook Engeland in zijn verdragssysteem te betrekken, door in
jan. 1889 aan Salisbury een bondgenootschap tegen Frankrijk (Engelands
koloniale tegenstander in Afrika) aan te bieden, mislukte, daar dat land
zijn ‘isolation’ nog niet wenste op te geven. Het nadeel van dit
vernuftig stelsel van gewichten en tegenwichten was, dat het slechts
door een man als Bismarck zelf kon worden gehanteerd. Trouwens, het
Frans-Russische bondgenootschap dat na zijn val zijn beslag kreeg en het
begin van het einde van Bismarcks systeem was, werd nog tijdens zijn
bewind voorbereid.
In de laatste jaren van zijn
regering wezen allerlei tekenen erop dat de teugels hem toch ietwat
begonnen te ontglippen, en vooral het verzet tegen zijn persoonlijk
overwicht in militaire kringen en aan het hof rondom de jonge
Wilhelm
II kondigde een verschuiving aan, die plaatsvond toen de keizer weigerde
Bismarcks Socialistenwetten goed te keuren. Toen was het conflict tussen
de keizer, die niet – gelijk zijn grootvader – in de schaduw van zijn
grote kanselier wilde regeren, en Bismarck niet meer te vermijden. Op 20
maart 1890 volgde zijn ontslag. Na zijn aftreden bleef Bismarck vanuit
Friedrichsruh, waar hij zijn laatste jaren doorbracht, keizer en
regering in tal van artikelen in zijn lijfblad, de Hamburger
Nachrichten, vaak bitter bestrijden. Zelfs gaf hij het geheime
Rückversicherungsvertrag aan de openbaarheid prijs (24 oktober 1896) om
de regering in het nauw te drijven. Met behulp van zijn secretaris,
Lothar Bucher, schreef hij daarnaast zijn Gedanken und Erinnerungen,
waarvan beide eerste delen kort na zijn dood verschenen, terwijl het
derde deel pas na de dood van Wilhelm II of de val van het Rijk mocht
worden gepubliceerd, wat in 1921 gebeurde.
Nog bij zijn leven was Bismarck
inmiddels een legendarische figuur geworden en zijn prestige nam in
menig opzicht nog toe, nadat duidelijk was geworden dat zijn opvolgers
niet in zijn schaduw konden staan. Toch wist hij zelf dat zijn werk, het
Duitse keizerrijk, niet zonder bedenkelijke zwakten was en dat hij de
gevaren wel had kunnen afweren maar geenszins voor de toekomst had
uitgeschakeld. Bedenkelijke kanten vertoont zijn schepping wat het
binnenlandse aspect betreft, doordat hij de liberaal-constitutionele
richting in monarchaal-conservatieve zin heeft omgebogen. Zijn machtige
autoritaire persoonlijkheid heeft een gezonde politieke ontwikkeling in
de weg gestaan en hij heeft het Duitse burgerdom ‘de ruggengraat
gebroken’. Maar hoe problematisch zijn werk ook is, hoevele dubieuze
kanten zijn persoonlijkheid ook vertoont in haar enorme
tegenstrijdigheden, als geniaal staatsman en als meester in het
diplomatieke spel bleef hij in zijn tijd ongeëvenaard en weinigen hebben
zoals hij hun persoonlijk stempel op de geschiedenis van hun eeuw
gedrukt.
Bismarck overleed in
Friedrichsruh op 30 juli 1898. |
|
|
|