Prins
Karel (Charles-Theodore-Henri-Antoine-Meinrad) werd geboren te Brussel op 10
oktober 1903 als tweede zoon van prins Albert en prinses Elisabeth.
Hij was de broer van de latere koning Leopold III
(1901-1983) en van prinses Marie José (°1906), die door haar huwelijk met
kroonprins Umberto voor korte tijd koningin van Italië werd.
De Prinsen werden toevertrouwd aan een gouvernante of leraar en hadden weinig
contact met hun ouders. De zomers werden doorgaans aan zee doorgebracht in het
Koninklijk Chalet te Oostende, met sporadisch een dagje uit naar het Noorse
Chalet te Raversijde.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (4 augustus 1914) werden de drie
kinderen naar Engeland overgebracht. Prins Karel zou er de ganse oorlog
verblijven, eerst bij Lord Curzon op het kasteel Hackwood in Hampshire en vanaf
1915 in de Public School van Wixenford
(Wokingham,
Berkshire). Na twee jaar begon in februari 1917 zijn opleiding bij de Britse
Navy in het Royal Naval College in Osborne en later in Dartmouth. Als cadet
maakte hij met de kruiser HMS Renown de reis van de Prins van Wales mee naar het
Verre Oosten. In juni 1925 legde prins Karel aan het Royal Naval College te
Portsmouth de laatste proeven af en behaalde het diploma van onderluitenant bij
de Britse Navy.
In 1926 werd hij onderluitenant bij het 1ste Regiment Gidsen en volgde de lessen
aan de Koninklijke Militaire School te Brussel (71ste promotie). Ondertussen nam
hij deel aan het openbaar leven van de Koninklijke Familie. In 1934 stierf
koning Albert. Door de enorme populariteit van koning Leopold III en vooral van
koningin Astrid raakte prins Karel uit de belangstelling. Hij maakte de
veldtocht van mei 1940 mee en volgde de gebeurtenissen die zich in Wijnendale
afspeelden. Tijdens de oorlogsjaren zette Prins Karel zich actief in bij de
hulpverlening aan krijgsgevangenen. Hij genoot van een relatieve vrijheid, en
kon, na de wegvoering van de Koning naar Duitsland in juni 1944, ongemerkt
verdwijnen. De laatste maanden van de oorlog bracht hij door in Sart nabij Spa,
waar hij als "Monsieur Richard" kontakten had met de weerstand.
Wegens de afwezigheid van koning Leopold III werd prins Karel op 20 september
1944 verkozen als Regent van België. Hij vervulde nauwgezet zijn nieuwe taak en
ontving op een passende manier de geallieerde bevelhebbers en staatshoofden:
King George VI, Koningin Wilhelmina,
Eisenhower, Churchill,
De Gaulle, Montgomery. In 1945 werd
hij door president Truman verheven tot "Chief
Commander Legion of Merit"
Op
12 maart 1950 had een volksraadpleging plaats, die resulteerde in de terugkeer
van de Koning. Dit gaf vooral in het Waalse landsgedeelte aanleiding tot hevige
onlusten, zodat Leopold III op 1 augustus de macht overdroeg aan zijn zoon
Boudewijn.
Prins Karel verkoos na het Regentschap de stilte van Raversijde. Onder leiding
van de kunstschilder Alfred Bastien wijdde hij zich aan de tekenkunst. Onder de
naam "Karel van Vlaanderen" stelde hij voor het eerst zijn werken tentoon in de
Brusselse Galerij Racines (oktober 1973). De kritiek reageerde vrij gunstig op
dit aarzelende debuut en typeerde hem als "fauvist". Vanaf dat ogenblik volgden
de tentoonstellingen zich in een vlug ritme op. De Prins sloot zijn artistiek
oeuvre af in 1981.
In december 1981 verkocht Prins Karel zijn Domein aan de Belgische Staat. Twee
jaar later, op 1 juni 1983, overleed hij in het Oostendse H.Hartziekenhuis. Hij
werd op 7 juni 1983 met nationale eer te Brussel begraven en bijgezet in de
Crypte te Laken. |
|
|
|