Septimius
Severus, Lucius (Leptis Magna, aan de Libische kust, 146 – Eboracum [thans
York] 211), Romeins keizer van 193 tot 211, werd consul in 190, stadhouder van
Pannonië in 193 en werd aldaar door zijn legioenen na de vermoording van
Pertinax tot keizer uitgeroepen. Na een mars naar Rome bracht hij Didius
Julianus ten val en ontsloeg hij de praetoriaanse garde die hem had
geïnstalleerd. Tegelijk met Septimius Severus waren in Syrië Pescennius Niger en
in Brittannië Clodius Albinus tot keizer uitgeroepen, die hij resp. in 194 bij
Issus en in 197 in Gallië bij Lugdunum versloeg. Tijdens een veldtocht tegen de
Parthen (197–201) verwoestte hij Seleucia, Babylon en Ctesiphon (198) en nam hij
Mesopotamië in (199). In 208 trok hij met zijn vrouw, de Syrische Julia Domna –
die zeer ontwikkeld was en grote invloed op hem had –, en zijn zoons
Caracalla en Geta naar Brittannië, dreef invallers
uit Schotland terug en herstelde de Hadrianuswal. Na zijn overlijden werd hij
door zijn beide zoons opgevolgd.
Men kan Septimius Severus beschouwen als een voorloper van de soldatenkeizers.
Op vrijwel alle gebieden hadden tijdens zijn regering ingrijpende verschuivingen
plaats. De Senaat verloor zijn reële macht, de achterstelling van de provincies
bij Italië verminderde sterk en het leger kreeg privileges ten koste van de
burgers. Rome verfraaide hij met imposante bouwwerken (bijv. de triomfboog op
het Forum Romanum). |
|
|
|