header_honden

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

A    B   C    D    E    F    G    H       J    K       M    N    O    P    Q    R    S    T    U    V    W    X       Z

Socrates

 
   

Socrates (Gr.: Sokratès) (Athene 469 – aldaar 399 v.C.), Grieks wijsgeer, zoon van Sophroniscus (beeldhouwer) en Phaenarete (vroedvrouw), is een van de grootste en fascinerendste figuren uit de geschiedenis van de filosofie.

Filosoferen was voor hem de enige vorm van leven; groot is hij door de impulsen die hij aan het wijsgerig denken gaf en door het voorbeeld dat hij in leven en sterven aan anderen stelde. Geschreven heeft hij niets, maar hij leeft voort in enige geschriften van Xenophon (m.n. de Memorabilia, ‘Herinneringen aan Socrates’) en vooral in de vele dialogen van Plato, waar hij sprekend ten tonele verschijnt (van dergelijke dialogen van andere volgelingen zijn slechts fragmenten over).

Dat hij een publieke persoonlijkheid was, blijkt uit het feit dat Aristophanes hem als emblematische karikatuur van natuurfilosofie, sofistiek en mystiek de hoofdfiguur kon maken van zijn komedie De wolken (opgevoerd 423 v.C., bewerkt ca. 421–418 v.C.). Enkele opmerkingen over hem bij Aristoteles zijn zeer waardevol.

Uit de verschillende bronnen kan een redelijk betrouwbaar beeld van Socrates worden gereconstrueerd. Op tal van punten zijn Plato en Xenophon in overeenstemming, en m.n. Plato's vroege dialogen vormen een betrouwbare bron.

Socrates’ problematiek van uitgang was dezelfde als die van de sofisten. Hun oplossingen waren voor hem echter onaanvaardbaar, zoals trouwens ook de speculaties van de natuurfilosofen hem weinig te bieden hadden. De vraag die hem boven alles bezighield, is die naar de zo verantwoord mogelijke wijze van leven. Hij stelde deze vraag onophoudelijk in gesprekken met mensen van allerlei slag en stiel.

Ons doen en laten is immers gemotiveerd. Kunnen we deze motieven beschrijven? Wat betekenen en waarnaar verwijzen woorden als dapperheid, vroomheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing? In zijn gesprekken onderzocht Socrates de voorbeelden die van de toepassing van dergelijke waardetermen gegeven kunnen worden en trachtte hij na te gaan wat daarin de gemeenschappelijke en typerende structuur (eidos) is en wat daarvan de functie.

Het eidos moet reëel zijn en universele geldigheid impliceren, want alle mensen handelen ernaar; maar de definities die in de loop der discussie gegeven worden, blijken tegen nader onderzoek niet bestand. Deze gespreksmatige methode van onderzoek (elenchus) met haar ogenschijnlijk negatief resultaat (aporia) is kenmerkend voor Socrates. Zij bezorgt hem vele vijanden, maar ook vurige bewonderaars.

Zijn pogingen tot begripsbepaling zijn een eerste aanloop tot een inductieve methode en hebben ook een andere kennistheoretische implicatie, nl. in zoverre voortdurend gestreefd wordt naar het ‘weten’ van het gezochte begrip, dat rationeel moet kunnen worden verantwoord (logos).

Socrates zag het handelen analoog aan het maken van dingen: een ambachtsman die iets goed maakt, weet wat hij maakt en waarvoor hij het maakt. Hiermee zijn ook Socrates’ positieve thesen verklaarbaar. Deugd moet net als een ambacht leerbaar zijn en is derhalve kennis, een zaak van het intellect. Goed is, wat deugdelijk is. Dit leidt tot de befaamde paradox dat niemand opzettelijk iets verkeerds doet: kennis is niet alleen een noodzakelijke, maar ook een voldoende voorwaarde voor correct handelen.

Zorg voor de ‘ziel’ (het intellect dat de eigenlijke persoonlijkheid vormt) is een dwingende noodzaak, voor wat Socrates zelf betreft ook een opdracht van de god. In zijn roeping werd hij bijgestaan door zijn daimonion, een bovenmenselijke innerlijke stem die hem waarschuwde, mocht hij iets verkeerds doen. Toch was hij niet in staat de ethisch-kentheoretische problemen tot een oplossing te brengen: het bleef bij elenchus en aporia, bij filo-soferen ( ‘streven naar inzicht’); zoals hij anderen voor hun bestwil deed ervaren dat zij eigenlijk niets wisten, kwam hij er ook zelf voor uit dat hij alleen iets wist in zoverre hij besefte niets te weten.

Wel werd steeds duidelijker wat niet belangrijk is en wat men niet moet doen: Socrates zelf gaf het voorbeeld door zijn ascetische levenswijze en door zijn onverzettelijke weigering iets te doen waarvan hij wist dat het niet juist was.

Plato heeft op harmonieuze wijze Socrates' aanzet een metafysische onderbouw gegeven, terwijl Aristoteles de inductieve methode waardeert en de ethische paradoxen tempert.

In 399 v.C. werd Socrates op de aanklacht nieuwe goden te hebben ingevoerd en de jeugd te hebben gecorrumpeerd, ter dood veroordeeld en een aantal weken later geëxecuteerd (gifbeker). De bedoeling van de aanklacht was ongetwijfeld alleen hem uit de weg te hebben, maar Socrates weigerde vóór het proces in vrijwillige ballingschap te gaan of tijdens het proces ballingschap als straf voor te stellen. Hij weigerde ook uit de gevangenis te ontvluchten.

In zijn verdedigingsrede (magnifiek door Plato weergegeven in de Apologie) rechtvaardigde hij zijn levenslange opvatting van wat hij als plicht beschouwde. Weggaan uit Athene zou voor hem betekend hebben een schuld toegeven die hij niet voelde en alles waarvoor hij had geleefd vernietigen.

De dood is geen ramp; immers óf wij zijn er niet meer, óf wij kunnen vol vertrouwen het leven in een andere wereld tegemoet zien (niet uitgesloten is dat Socrates in de onsterfelijkheid van de ‘ziel’ geloofde en in één god, die het universum onder zijn hoede heeft).

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009