Spartacus
(Thracië – in Apulië 71 v.C.), Romeins gladiator, leidde van 73 tot
71 v.C. een opstand tegen Rome, de Gladiatorenoorlog of Slavenoorlog. Spartacus
ontsnapte in 73 v.C. met anderen uit de gladiatorenkazerne te Capua en bracht
Romeinse troepen een nederlaag toe. Na een tweede overwinning sloten zich van
alle kanten slaven van de latifundia (landgoederen) aan bij zijn leger. Met hen
– volgens de bronnen meer dan 70!000 in aantal – trok hij in 72 naar het noorden
om hen over de Alpen naar hun vaderland, Gallië en Thracië, terug te voeren. Een
gedeelte van het slavenleger onder leiding van Crixus werd verslagen. Spartacus
zelf behaalde successen, maar zijn leger, dat liever bleef plunderen, dwong hem
weer naar het zuiden te trekken. Daar werd hij in 71 door Crassus tot een
gevecht genoodzaakt, waarin hij met vele slaven omkwam. De gevangenen werden
gekruisigd, de overigen op hun vlucht door Pompejus verslagen.
Gladiatoren (Lat., = zwaardvechters, v. gladius = zwaard), deelnemers aan
gevechten op leven en dood, die in de Romeinse amfitheaters werden
georganiseerd. Dergelijke gevechten waren van Etruskische oorsprong. In
oorsprong waren het particuliere lijkspelen, die de plaats van mensenoffers
innamen. Zij werden in 264 v.C. daar voor het eerst als begrafenisritueel
opgevoerd; als publieke spelen het eerst in 105 v.C. en daarna dikwijls, op
kosten van aediles, in de keizertijd ook van andere magistraten en van de
keizers die zich door dit volksvermaak populair wilden maken. De spelen, soms
met zeer veel paren of grotere strijdgroepen, gingen met reusachtige kosten
gepaard. Ook werd tegen wilde dieren gestreden. De gladiatoren waren meest
krijgsgevangenen, slaven en tot de spelen veroordeelde misdadigers; later ook
vrijen die, door armoede gedwongen, zich als zodanig verhuurden. Op den duur
traden zelfs mannen en vrouwen van rang in de arena op, hetzij vrijwillig,
hetzij onder pressie van de keizer. Gladiatoren werden ook wel als soldaten
gebruikt.
Sinds de vroege keizertijd had men verschillende soorten zwaardvechters, naar
gelang van de wapens en de wijze van vechten. Tot de lichtgewapenden behoorden
de retiarii, die als beschutting niets droegen dan een mouw aan de linkerarm met
een over de schouder in de hoogte staand stuk leer en die met een net, dat zij
over hun tegenstander trachtten te werpen, een drietand en een dolk gewapend
waren. Zwaargewapend waren de murmillones, verder de Samnites, kenbaar aan hun
groot, vierhoekig schild, en de Thraces met klein schild en gebogen zwaard. De
spelen begonnen gewoonlijk als schijngevecht met stompe wapens; daarna echter
streed men met scherpe wapens op leven en dood. De overwonnene kon door de wil
van het volk en van de keizer worden begenadigd. Overwinnende gladiatoren werden
met erekransen en geld begiftigd.
Constantijn de Grote verbood in 325 alle gladiatorengevechten in het oosten
van het Romeinse Rijk; Honorius ca. 400 eveneens die in het westen.
De groet die de gladiatoren voor het gevecht begon aan de keizer brachten, werd
een gevleugeld woord: Ave Caesar, morituri te salutant (= Gegroet Ceasar, zij
die gaan sterven wensen u heil; Suetonius, Claudius 21, waar echter staat: Ave
Imperator). |
|
|
|