|
Tjiang
K’ai-sjek (ook gespeld Tsjang K’ai-sjek), officieel:
Tjiang Tsjoeng-tsjeng (1887–1975), Chinees militair en staatsman,
bleek na de dood van Soen Jat-sen (1925) de onbetwiste militaire leider
van de nationalistische beweging, de Kwo-mintang. In 1926 ondernam hij
een coup waarna hij ook het politieke leiderschap verwierf. In 1927
richtte Tjiang een slachting aan onder linkse elementen en vestigde een
nationale regering te Nanking. Hij poogde tevergeefs de communisten uit
te roeien. Ook politiek was de ‘decade van Nanking’ (1928–1938) geen
succes. Het regime evolueerde tot een rechtse militaire dictatuur. De
Japanse dreiging noopte hem tot een – mislukte – coalitie met de
communisten. De Japanse agressie van 1937 dwong Tjiang eind 1938 tot de
terugtocht naar een nieuwe regeringszetel, Tsjoeng-tj’ing. In okt. 1943
werd hij staatshoofd, waarmee hij de functies van president,
partijleider en opperbevelhebber in zich verenigde. De burgeroorlog na
de Japanse capitulatie leidde tot een nederlaag van Tjiang. Op 10 dec.
1949 vluchtte hij naar Taiwan (Formosa). Van 1950 tot zijn dood was hij
president van de nationale regering van de op Taiwan gevestigde
Republiek China. |
|
|
|