Op 16
februari 1937 ontving Wallace H. Carothers, een
onderzoeker-chemicus bij Du Pont, een patent voor zijn uitvinding van de
synthetische vezel 'nylon'.
Het
succesverhaal van nylon begint in 1928 als Du Pont erin slaagt dr. Wallace Hume
Carothers (1896-1937) als onderzoeker aan te trekken. Carothers is dan verbonden
aan Harvard University. Hij is gespecialiseerd in polymeren, langgerekte
moleculen die te vergelijken zijn met een ketting met een zich steeds herhalend,
klein patroon. De 'kralen' van een polymeer zijn groepjes atomen, monomeren.
Over dat vakgebied is dan nog weinig bekend, laat staan dat er iemand in is
geslaagd om een draad uit een reageerbuis te toveren en er textiel van te weven.
Carothers laat zich niet een-twee-drie de laboratoria van Du Pont in praten. Hij
wil de vrije hand krijgen in zijn onderzoek, om zo puur wetenschappelijk bezig
te kunnen zijn. Het werk van zijn onderzoeksgroep blijft niet zonder resultaat.
Neoprene, 'kunstrubber', komt in 1930 uit het Du Pont-lab, en in dat jaar maakt
Carothers ook de eerste synthetische vezel. Maar de stof is niet bepaald
bruikbaar voor de textielindustrie, want hij smelt onder een strijkijzer en lost
op in middelen die worden gebruikt bij het chemisch reinigen van kleding.
Pas vier jaar later is dat probleem overwonnen, als een van Carothers'
medewerkers een stof produceert die erg op zijde lijkt. De draden ervan zijn
lang, sterk en elastisch. Du Pont noemt het nylon. Maar de onderzoekers zijn
niet helemaal tevreden, en voeren op 28 februari 1935 een grootschalig
experiment uit, waarbij ze alle 81 mogelijke varianten van nylon proberen te
maken.
Dan stuiten ze op de stof waarmee de chemiegigant groot is geworden: nylon 6,6.
Ze noemen die zo, omdat de twee verschillende 'kralen' waaruit de polymeer is
opgebouwd elk 6 atomen lang zijn. Elk molecuul nylon bestaat uit wel honderd of
meer aaneengeregen 'kralen', en elke nylonvezel bevat op zijn beurt meer dan een
miljoen moleculen. |
|
|
|