De
beroemde Engelse acteur, dichter en toneelschrijver William Shakespeare, werd
geboren in Stratford-on-Avon op 23 april 1564. Hij overleed daar op 23 april
1616.
Shakespeare werd reeds tijdens zijn leven erkend als de grootste van het
twintigtal auteurs die de schouwburgen in het Elizabethaanse Londen van 60 à 70
stukken per jaar voorzagen.
Zijn vader was John Shakespeare, waarschijnlijk rooms-katholiek en vrij zeker
analfabeet, een zakentalent, dat opklom van eenvoudig agrariër via
handschoenmaker en huidenkoper tot raadslid en burgemeester van Stratford; zijn
moeder was Mary Arden, dochter van een aanzienlijk landeigenaar.
Hoewel toneelstukken niet beschouwd werden als serieuze literatuur, en
toneelschrijvers, in tegenstelling tot toneelspelers, nauwelijks bekendheid
genoten, is over Williams leven relatief veel bekend. Volgens een uitlating van
zijn vriend en geleerde collega Ben Jonson beheerste Shakespeare enig Latijn en
Grieks; een klassieke vorming blijkt bovendien uit de brede kennis van de -
anglicaans-humanistisch gepresenteerde - oudheid die uit zijn oeuvre spreekt.
Op 25 nov. 1582 trouwde Shakespeare met Anne Hathaway, dochter van een
herenboer; zes maanden later werd Susanna geboren en in 1585 de tweeling Hamnet
en Judith. Over de periode daarna zijn geen biografische gegevens bekend tot aan
een dagboeknotitie van de Londense bordeel- en schouwburgeigenaar Henslowe over
een opvoering van Henry VI in maart 1592. In sept. 1592 volgde de jaloerse
woordspeling op Shakespeares naam - 'the only Shake-scene in the country' -
waarmee Robert Greene in een gepubliceerde sterfbedconfessie waarschuwde tegen
plagiërende parvenu's onder de acteurs. Vóór het einde van dit jaar
verontschuldigde Greenes literaire executeur-testamentair zich voor diens
aantijgingen in een geschrift waarin Shakespeares hoffelijkheid in de omgang,
kundigheid in zijn beroep naast eerlijkheid en elegantie als schrijver
nadrukkelijk worden geroemd.
Over de periode tussen 1585 en 1592 zijn geen gegevens bekend. Naar Londen was
ook een zekere Richard Field getrokken, een stad- en leeftijdgenoot die in 1587
een drukkersbedrijf had overgenomen. Dit bedrijf vervulde de functie van een
soort intellectuele vakbeurs, die door geleerden en in de kunsten en
wetenschappen geïnteresseerde edelen werd bezocht. Hier heeft Shakespeare
waarschijnlijk zijn latere patroon, Henry Wriothesley, graaf van Southampton,
ontmoet, aan wie hij in 1593 zijn (uit 1194 versregels bestaande) erotische
gedicht Venus and Adonis opdroeg en in 1594 het (1855 regels tellende) niet
minder erotische Rape of Lucrece. Beide direct succesvolle uitgaven zijn gedrukt
bij Field en als 'eerstelingen' door Shakespeare gesigneerd. Dat de opdracht aan
de graaf in het eerste dichtwerk formeel en onderdanig was, maar in het tweede
hartelijk en persoonlijk, wijst er kennelijk op dat Shakespeare dankzij deze
imitaties van Marlowes Hero and Leander-bewerking van Ovidius, zijn entree tot
de grote wereld had gevonden.
Het driedelige Henry VI, het oudst bekende stuk dat met Shakespeare als
toneelschrijver wordt geassocieerd, is waarschijnlijk niet het eerste waar hij
de hand in heeft gehad. Hij is zeker niet van de ene dag op de andere van auteur
tot dramaturg geworden. Samen met het Marloweske koningsdrama Richard III, het
Plautinische blijspel The comedy of errors en de Senecaanse tragedie Titus
Andronicus behoort het in elk geval tot zijn vroegste werk, hoewel zijn naam pas
in 1598 op de titelpagina van het ironische Love's labour's lost verscheen. In
datzelfde jaar publiceerde de schrijvende dominee Francis Meeres zijn Palladis
Tamia: wit's treasury, waarin de Engelse dichters met de klassieke dichters
worden vergeleken en Shakespeare (als auteur van blijspelen, treurspelen,
epische dichtwerken en 'gesuikerde sonnetten voor zijn privérelaties')
uitzonderlijk verrijkend voor de Engelse taal wordt genoemd. Als toneelspeler
blijkt hij volgens bepaalde aanwijzingen lid te zijn geweest van de
gezelschappen van resp. de graven van Pembroke en Sussex voor hij - in 1594 -
toetrad tot de in dat jaar gevormde troep van de Lord Chamberlain's Men onder
leiding van Richard Burbage; met deze en met de bekende komiek William Kempe
behoorde de 30-jarige Shakespeare toen tot de oudste leden en (vervolgens)
aandeelhouders van het gezelschap, een positie die hij tot zijn dood toe
behield. Het was voor de Lord Chamberlain's Men dat zijn hele oeuvre is
geschreven, waarbij hun verheffing tot King's Men bij de troonsbestijging van
Jacobus I in 1603 een erkenning was voor hun prominente positie.
Ook financieel ging het Shakespeare goed. In 1596 verhuisde hij - na eerst in de
buurt van de in het noorden van Londen, even buiten de stadsmuren gelegen oudste
schouwburg The Theatre gewoond te hebben - naar de zuidelijke oever van de
Theems, omdat de Lord Chamberlain's Men het nieuwe Swan Theatre daar bespeelden;
het Swan Theatre is de enige Elizabethaanse schouwburg waarvan een eigentijdse
afbeelding bestaat, de schets van De Wit. Tussen 1602 en 1604 woonde Shakespeare
gedurende het speelseizoen op kamers bij een pruikenmaker, de hugenoot Mountjoy.
In 1596, het jaar waarin zijn zoon Hamnet stierf, wist Shakespeare de oude
aanvraag van zijn vader voor de titel van 'gentleman'-met-eigen-wapenschild door
het College of Heralds gehonoreerd te krijgen. In hoeverre de cyclus sonnetten
die hij in deze jaren schreef (en die in 1609 ongeautoriseerd verscheen), op
biografische werkelijkheid stoelen, telkens wanneer zij aan een fatale 'dark
lady' of een hooggeplaatste 'fair youth' zijn gericht, dan wel over een
amoureuze 'rival poet' gaan, is nooit uitgemaakt. Zeker is dat het 'second-best
bed' dat hij in zijn testament aan zijn echtgenote vermaakte, niet beschouwd
dient te worden als een teken van ontrouw. In 1597 kocht hij een groot huis te
Stratford; juridische stukken over landaankopen wijzen op zijn geregelde
aanwezigheid aldaar, terwijl bovendien zijn dochters in Stratford goede
huwelijken sloten.
In Shakespeares schrijversloopbaan volgde vanaf zijn dertigste jaar het ene
succes op het andere. Met name in de eerste twaalf jaar van de 17de eeuw schreef
hij zijn grootste werken: As you like it, Twelfth night, Julius Caesar, Hamlet,
Othello, Macbeth en King Lear, en alle beleefden hun première in het Globe
Theatre, dat het gezelschap in 1598 vlak bij het Swan Theatre had gebouwd, toen
de huur van het terrein van hun oude schouwburg in het noorden niet verlengd
werd. Verschillende stukken van Shakespeare werden door reizende troepen tot
diep in Europa in het Engels opgevoerd.
Toen Shakespeare zich in 1613 in Stratford terugtrok en in 1616 stierf, was hij
een vermogend en alom geacht man, die zijn gezin welverzorgd achterliet. In de
parochiekerk werd een borstbeeld (door Gheerart Janssen) van hem aangebracht;
zijn collegae Heming en Condell bezorgden in 1623 de eerste uitgave (de First
Folio) van zijn verzamelde werken met frontispice door Martin Droeshout - samen
met de Works van Ben Jonson, een uniek feit in de toneelgeschiedenis. Met de
dood van zijn enige in leven gebleven kleinkind, Elizabeth, in 1670, stierf zijn
geslacht uit.
Shakespeares 'blank verse' bereikt een in het Engels tot dan toe ongekende
suggestiviteit, niet alleen qua taal en resonantie, maar juist ook qua
beeldenrijkdom en zeggingskracht. Al heel spoedig had hij zich bevrijd van de
geaffecteerdheid van de conventionele retorica en de slaafse navolging van de
klassieken. Hij was evenzeer het product van zijn situatie in plaats en tijd als
de kunstenaar die daar geheel bovenuit kon stijgen en van het begin af aan
universeel wist aan te spreken. In het eerste verband moet hij gezien worden als
Engelsman op dat moment in de geschiedenis, waarop zijn land zich voor het eerst
van een eigen identiteit bewust begint te worden, met een eigen taal, een eigen
cultuur en een eigen rol in Europa; in het tweede verband is het zijn
uitgesproken sympathie voor de jeugd en iedere bedreigde individualiteit, die
zijn even sociaal als politiek bewogen oeuvre als zodanig herkenbaar maakt. Als
alle zeer groten keert hij telkens terug tot dezelfde thema's - in zijn geval
begripsparen, zoals: schijn en wezen, bedrog en zelfbedrog, vrijheid en
afhankelijkheid, passie en beheersing, rede en waanzin, orde en chaos, zijn en
niet-zijn - en dit alles bij telkens anders geschudde kaarten in het spel van
leven, liefde en dood, in gezin en staat. Indien er één alomvattend inzicht aan
de Comedies, Histories and Tragedies, bijeengebracht in de First Folio, kan
worden ontleend, dan is dit dat elke menselijke ervaring op twee wijzen kan
worden geëvalueerd en er maar één angst bestaat: die van te verdrinken in de
duisternis van een chaos zonder patroon.
Shakespeare was geen filosoof, geen systeembouwer, maar een in de menselijke
gemeenschap diep geïnteresseerde, die in zijn werken tot het einde toe
balanceerde tussen hoop en wanhoop, vreugde en melancholie, geluk en cynisme,
maar steeds theaterman bleef, die wist waar het publiek op rekenen mocht. Zo
leverde hij het optimistische blijspelverhaal in zijn 'golden comedies', dat met
al zijn onwaarschijnlijkheden de overtuiging gaf dat gevangenen bevrijd werden
en gescheiden gelieven verenigd. Zo schiep hij met zijn historiestukken (uit de
meedogenloze machtsstrijd om de Engelse koningskroon tussen Lancaster en York in
de Rozenoorlogen) een nationaal imago voor de Engelsen, waarin met een
aanvaardbare schijn van redelijkheid het goede uiteindelijk het kwade wist te
beteugelen. Zo stelde hij in zijn satirische werk de onderdrukker aan de kaak,
terwijl hij alle medegevoel deed uitgaan naar wie geweld was aangedaan, in welke
zin ook. Zo stond hij op de bres voor de zich - tegen alle 'aristocratische'
druk in - psychologisch (zo niet sociaal) emanciperende jonge vrouw. Zo gaf hij
in zijn tragedies waardigheid en innerlijke bevrijding aan de geruïneerden. En
bij dit alles bleef hij bewust telkens onderstrepen dat zijn kunst toch maar
'kunst' was, dat de ironie van het tragische in zijn komische kern bestond - en
omgekeerd.
Waren zijn historiestukken de tragedies van een versplinterde staat, zijn
treurspelen zijn de tragedies van de versplinterde geest. Van de Chronicles van
Holinshed (1587) gaat hij als bron over op Plutarchus' Lives of the noble
Grecians and Romans in de vertaling van North (1570), van de Engelse
burgeroorlogen wendt hij zich tot de Romeinse, en vandaar naar een legendarisch
Brits verleden. Tot zijn dialectiek van het wezen van denken en doen, afwegen en
doortasten, acteur en regisseur zijn, vindt men al aanzetten in de Brutus-figuur
uit Julius Caesar en een treffende echo, via de centrale Hamletfiguur, in de
Prospero uit The tempest. De koning-als-acteur komt keer op keer terug.
Bijzonder origineel is de 'wise fool' zoals Feste ((Twelfth night) en Touchstone
(As you like it). Van Shakespeares vrouwenfiguren zijn opvallend: onafhankelijke
jeugdige heldinnen als Rosalind (As you like it), in tegenstelling daartoe de
'slachtoffers' als Ophelia (Hamlet) en Desdemona (Othello), en ten slotte de
onweerstaanbare, fatale 'dark ladies', als Lady Macbeth (Macbeth) en Cleopatra (Anthony
and Cleopatra).
Wanneer in 1609 The King's Men de hand kunnen leggen op het overdekte
Blackfriars Theatre, op de noordelijke Theemsoever en vlak bij Westminster,
verandert ook Shakespeares toon, die op een meer gecultiveerd en meer
snobistisch publiek lijkt te worden afgestemd. Het maskerade-element van de
koninklijke feesten wordt een integrerend bestanddeel in de late, zgn.
verzoeningsstukken. Maar ook Cymbeline, The winter's tale en The tempest - dat
in zekere zin weer rechtstreeks in het verlengde van A midsummer-night's dream
ligt - gaan in wezen over de oude begripstegenstellingen; hun happy end kan de
herinnering aan de bittere ervaringen die eraan voorafgingen, niet wegnemen.
Misschien ligt daarin wel het geheim van Shakespeares onverwoestbare
geloofwaardigheid, een geloofwaardigheid die tot in zijn kleinste bijrollen
voorkomt.
Naast toneelstukken schreef Shakespeare, waarschijnlijk tussen 1591 en 1604,
gedichten. De cyclus Shakespeare's sonnets, never before imprinted (1609;
bezorgd door Thomas Thorpe) bestaat uit 154 sonnetten, bestaande uit drie
kwatrijnen en twee slotregels. Zij zijn zeer muzikaal en hebben een verheven
inhoud. Het belangrijkste thema is dat de liefde voor de poëzie zegeviert over
de menselijke vergankelijkheid. Andere gedichten van Shakespeare zijn The
passionate pilgrim (1599), The phoenix and the turtle (1601) en A lover's
complaint.
Met een hardnekkigheid, een betere zaak waardig, staan sinds anderhalve eeuw
vooral in de Verenigde Staten pleitbezorgers op voor de stelling dat Shakespeare,
die van tamelijk eenvoudige komaf was, nooit of te nimmer de van eruditie
bolstaande gedichten en toneelstukken kan hebben geschreven. Shakespeare zou
volgens deze theorie de dekmantel zijn geweest voor een veel hoger geplaatst en
ontwikkeld persoon, die het zich vanwege zijn stand niet kon veroorloven
openlijk als de schrijver op te treden. Bij de mogelijke kandidaten voor de
echte Shakespeare was de meest genoemde Francis Bacon, politicus en wijsgeer in
de nabijheid van Elisabeth I en Jacobus I, maar later kwam vooral de naam naar
voren van Edward de Vere, 17de graaf van Oxford. Ondanks het feit dat grote
namen uit de literatuurgeschiedenis zich met deze theorie hebben beziggehouden,
wordt zij door weinigen ernstig genomen.
Van de meer dan 200 operabewerkingen zijn de belangrijkste ongetwijfeld die van
Giuseppe Verdi: Macbeth (1847-1865), Othello (1887) en Falstaff (1893). Eveneens
van belang zijn Die lustigen Weiber von Windsor (1849) van Otto Nicolai en A
midsummer night's dream (1960) van Benjamin Britten. Bij de musicals (met als
jaartallen de filmversies ervan): Westside story (1961), door Leonard Bernstein,
ontleend aan Romeo and Juliet; Kiss me Kate (1953) door Cole Porter, vrij
bewerkt naar The taming of the shrew; The boys from Syracuse (1940) door George
Abbott en componist Frank Skinner naar The comedy of errors. De belangrijkste
balletbewerking is Romeo and Juliet (1938). Als filmbewerking maakte Samuel
Taylor in 1929 The taming of the shrew met het acteursechtpaar Mary Pickford en
Douglas Fairbanks sr., in 1966 gevolgd door de versie van Franco Zeffirelli met
Elisabeth Taylor en Richard Burton. Max Reinhardt regisseerde in 1935 A
midsummer night's dream met James Cagney en Mickey Rooney. De Brit Sir Laurence
Olivier tekende als acteur en regisseur voor de wellicht belangrijkste
Shakespeareverfilmingen: Henry V (1944), Hamlet (1948), Richard III (1955) en
Othello (1966). Orson Welles maakte de films Macbeth (1948), Othello (1952) en
Chimes at midnight (1966) rond de figuur van John Falstaff. Joseph L. Mankiewicz
verfilmde in 1953 Julius Caesar, evenals Stuart Burge in 1969. Romeo and Juliet
werd in 1936 verfilmd door George Cukor, en in 1968 door Franco Zeffirelli.
Indrukwekkende Shakespeare-films zijn verder de bloederige Macbeth (1971) van
Roman Polanski, Throne of blood (1957) van Akira Kurosawa - het Macbeth-verhaal
gesitueerd in de Japanse middeleeuwen - en Hamlet (1964) van Grigori Kosintzev.
Belangrijke recente films zijn Henry V (1989) van en met de jonge
acteur-regisseur Kenneth Branagh, en Hamlet (1991) van Franco Zeffirelli.
WERK: Chronologie van de toneelstukken: 1589-1590: 1 Henry VI; 1590-1591:
2 Henry VI en 3 Henry VI; 1592-1593: Richard III en Titus Andronicus; 1593-1594:
The comedy of errors en The taming of the shrew; 1594-1595: Two gentlemen of
Verona en Love's labour's lost; 1595-1596: Romeo and Juliet, Richard II en A
midsummer-night's dream; 1596-1597: King John en The merchant of Venice;
1597-1598: 1 Henry IV en 2 Henry IV; 1598-1599: Much ado about nothing, Henry V
en The merry wives of Windsor; 1599-1600: Julius Caesar, As you like it en
Twelfth night; 1600-1601: Hamlet; 1601-1602: Troilus and Cressida; 1602-1603:
All's well that ends well en Othello; 1603-1604: Measure for measure; 1604-1605:
Timon of Athens; 1605-1606: King Lear en Macbeth; 1606-1607: Antony and
Cleopatra; 1607-1608: Coriolanus; 1608-1609: Pericles; 1609-1610: Cymbeline;
1610-1611: The winter's tale; 1611-1612: The tempest; 1612-1613: Henry VIII;
1613-1614: The two noble kinsmen.
UITG: First Folio (1623; nw. uitg. 1632, 1664, 1685). - Latere uitg.: A new
variorum edition, d. H.H. Furness en H.H. Furness Jr. (1871 vv.; nw. uitg. 1963
vv.); The Arden Shakespeare, d. W.J. Craig e.a. (37 dln., 1899-1924); The new
Cambridge Shakespeare, d. A.T. Quiller-Couch en J.D. Wilson (38 dln.,
1921-1963); The new Penguin Shakespeare d. T.J.B. Spencer (1967 vv.); The
complete works, original spelling edition, d. S. Wells (1986); S. Wells, An
Oxford anthology of Shakespeare (1987). - Ned. vert.: d. L.A.J. Burgersdijk (12
dln., 1884-1888; nw. bew. d. C. Buddingh', 7 dln., 1964), d. W. Courteaux (4 dln.,
1966-1971), d. G. Komrij (39 dln., 1988 vv.). |
|
|
|