Sir
Winston Churchill werd geboren op 30 november 1874 te Blenheim Palace,
Oxfordshire. Deze Britse staatsman was de zoon van Lord Randolph Churchill en de
Amerikaanse Jennie Jerome. Churchill was premier tijdens de oorlogsjaren van
1940 tot 1945, en nadien nogmaals van 1951 tot 1955. Hij overleed op 24 januari
1965 in Londen.
Jeugd
Hij toonde reeds jong een
onconventioneel, zelfs lastig karakter, dat hem ook met zijn vader in conflict
bracht. Na een aantal jaren op Harrow te hebben doorgebracht, ging hij in 1893
als cavaleriecadet naar de militaire academie te Sandhurst: het militaire leven
trok hem nog het meest aan. In 1895, midden in een tijd van vrede voor Engeland
en de wereld, werd hij officier. Van een verlof maakte hij gebruik om het enige
oorlogsterrein te bezoeken, dat hij toen kon ontdekken: Cuba, waar een opstand
tegen het Spaanse bestuur was uitgebroken. Reeds toen kwam hij op het idee zijn
oorlogservaringen met journalistiek te verbinden. Daarna vertrok luitenant
Churchill met zijn regiment (4th Hussars) naar Brits-Indië. Zijn ervaringen
tijdens zijn veldtochten aldaar beschreef hij in zijn eerste boek: The Malakand
field force (1898), waarmee hij reeds een zekere naam verwierf.
In 1898 nam Churchill deel aan Kitcheners opmars in Afrika naar Chartoem en aan
de Slag bij Omdoerman, waar hij de laatste klassieke lansierscharge uit de
Britse militaire geschiedenis meemaakte. Hierover schreef hij in zijn tweede
boek: The river war (1899). Spoedig daarna gaf hij zijn officiersberoep op en
deed hij een (vergeefse) poging in het Lagerhuis te komen.
Zuid-Afrika
Toen in 1899 de Tweede
Boerenoorlog uitbrak, werd hij door de Morning Post uitgenodigd als
oorlogscorrespondent naar Zuid-Afrika te gaan. Daar raakte hij in
krijgsgevangenschap, maar wist op een gedurfde manier weer uit de handen van de
Boeren te komen, wat, gevoegd bij andere opvallende prestaties, hem veel
populariteit verschafte. Toen de 25-jarige Churchill in 1900 in het moederland
terugkwam, werd hij dan ook als een held binnengehaald. Hij besloot nu voorgoed
in de politiek te gaan en hij werd hetzelfde jaar in het Lagerhuis gekozen voor
de conservatieven.
In 1904 ging hij in verband met Joseph Chamberlains propaganda voor
protectionisme en tariefhervorming echter over naar de liberalen. Toen de
liberalen in 1905 aan het bewind kwamen, werd hij onderstaatssecretaris voor
Koloniën, in welke functie hij zijn steun gaf aan de liberale politiek, die
Zuid-Afrika met de stand van zaken na de Vrede van Vereeniging wilde verzoenen.
Politiek
In 1908 trouwde Churchill met Clementine Hozier. In hetzelfde jaar trad hij
op als minister van Handel. Churchill, die bevriend raakte met Lloyd George, de
enige Britse politicus die hij voor langere tijd als mentor heeft aanvaard, nam
nu met grote ijver allerlei sociale hervormingen ter hand. Voor deze liberale
hervormingen was echter geld nodig, dat wel door het liberale Lagerhuis, maar
niet door het Hogerhuis werd toegewezen. In de strijd, die om het financiële
veto-recht van het Hogerhuis en in wezen om de invloed van dit instituut op de
wetgeving in het algemeen losbrak, stelde Churchill, hoewel behorend tot een der
meest illustere Engelse geslachten, zich aan de zijde van Lloyd George: de
strijd tegen de Lords beslisten zij in hun voordeel. Churchills belangrijkste
sociale hervorming was wellicht de werkloosheidsverzekering van 1911.
Nadat hij in 1910 als minister van Binnenlandse Zaken was opgetreden, werd hij
in 1911 minister van Marine. Met het oog op de internationale toestand kreeg hij
van de eerste minister de opdracht de vloot in permanente staat van paraatheid
te houden. Zijn samenwerking met admiraal Fisher verliep moeizaam.
De Eerste Wereldoorlog
In het begin van de Eerste Wereldoorlog deed Churchill van zich spreken door
zijn spectaculaire rol bij de verdediging van Antwerpen. De Belgische troepen,
die deze militair belangrijke stad beschermden, zouden met Engelsen worden
versterkt, maar toen die op zich lieten wachten en het moreel van de Belgen
achteruitging, verscheen Churchill plotseling in Antwerpen om hun opnieuw moed
in te spreken. De versterkingen die ten slotte kwamen, bleken echter onvoldoende
en Antwerpen viel in Duitse handen. Evenmin werd zijn steun aan het plan om door
een landing op Gallipoli de Turken te treffen, met succes bekroond. De landing
werd pas uitgevoerd toen het verrassingselement al verdwenen was en de Turken
voorzorgsmaatregelen hadden kunnen nemen. Bovendien raakte Churchill in conflict
met admiraal Fisher, die de vloot niet aan kustbatterijen wilde blootstellen.
Beiden verdwenen van het toneel en nadat Churchill in het Lagerhuis nog een
uitvoerige rede had gehouden, waarin hij zijn aandeel in de mislukking tot de
juiste proporties poogde terug te brengen, vertrok hij naar het front in
Frankrijk, waar hij als kolonel geen hoog commando toebedeeld kreeg. Het verzet
van Asquith, die hem niet goed gezind was, en zijn eigen onorthodoxe militaire
ideeën, waren daarvan de oorzaak. Reeds toen wees hij op de beslissende
betekenis van massale aanvallen met tanks, terwijl het Engelse opperbevel dit
nieuwe en nog niet beproefde wapen alleen nog maar incidenteel wilde gebruiken.
In 1916 keerde hij naar Engeland terug en in 1917, nadat een commissie de
kwestie rond de Dardanellencampagne had onderzocht en Churchill van blaam had
gezuiverd, nam de nieuwe premier, Lloyd George, hem als minister van Munitie
weer in de regering op. Na de wapenstilstand werd Churchill minister van Oorlog,
zodat hij de demobilisatie moest leiden. Hij was tevens minister van Luchtvaart.
Het belangrijkste probleem waarmee hij te maken kreeg, was echter wat er moest
gebeuren met de troepen die zich als gevolg van de revolutie in de Sovjet-Unie
en de Vrede van Brest-Litovsk binnen of langs de grenzen van Rusland bevonden
ter bescherming van de geallieerde zaak. Churchill was een fel tegenstander van
de bolsjevistische machthebbers en streefde ernaar hen omver te werpen. De steun
die hij daartoe aan de contrarevolutie verleende, liep echter op niets uit en
van links georiënteerde Engelsen haalde hij zich veel vijandschap op de hals.
Bovendien was Lloyd George het met zijn interventiepolitiek niet eens.
Het interbellum
In 1921 werd Churchill
minister van Koloniën. Een moeilijk probleem was de situatie in het
Midden-Oosten, waar de Arabieren het Turkse juk hadden afgeschud, maar niet de
beloofde onafhankelijkheid hadden verworven. Op de conferentie van Caïro slaagde
Churchill erin het Arabische vertrouwen in het Engelse mandaat te bevestigen.
Bij de totstandkoming van het Ierse verdrag van 1922 speelden Churchill en Lloyd
George de hoofdrol.
Na Baldwins rede in de Carlton Club (okt. 1922) die het einde betekende van de
coalitie van liberalen en conservatieven, zocht Churchill opnieuw zijn weg in de
politiek. Tot nu toe had hij tot de liberaal-conservatieve middengroep behoord,
die deze coalitie mogelijk had gemaakt. Na wat tasten en zoeken keerde hij
echter in 1924 in het conservatieve kamp terug en in hetzelfde jaar maakte
Baldwin hem minister van Financiën, welk ambt hij tot 1929 vervulde. Zijn eerste
taak was Engelands terugkeer tot de gouden standaard te bewerkstelligen.
Van 1929 tot 1939 stond Churchill buiten de Engelse regering. Ook toen de
conservatieven in 1931 aan een nationaal kabinet onder MacDonald deelnamen,
bleef hij afzijdig. In 1930 was hij trouwens met Baldwin in conflict gekomen
over de politiek ten aanzien van India, waaromtrent hij zeer uitgesproken
imperialistische meningen koesterde. Hij werd de meest formidabele criticus van
het onzekere conservatieve buitenlands beleid, vooral toen dit na het aan de
macht komen van Adolf Hitler de weg van de minste weerstand koos en een
niet-levensvatbaar compromis nastreefde. Hij waarschuwde voor de Duitse
herbewapening en voorspelde een nieuwe oorlog, als men Hitlers agressieve
oogmerken niet krachtig bestreed. De vrije tijd, die hij nu had, besteedde hij,
behalve aan reizen en schilderen en andere hobby's, vooral aan schrijven. Hij
completeerde een groot, zesdelig werk over de Eerste Wereldoorlog (The world
crisis), waaraan hij reeds in 1923 was begonnen, en begon een monumentale
vierdelige biografie van zijn grote voorvader de hertog van Marlborough. Ook
schreef hij een autobiografie (My early life), een verzameling essays (Thoughts
and adventures) en een serie biografische schetsen (Great contemporaries).
De Tweede Wereldoorlog
Nadat op 3 sept. 1939 de
Tweede Wereldoorlog, die hij had voorzien, een feit was geworden, kwam hij als
minister van Marine weer in de regering. Op 10 mei 1940, toen na de mislukking
van de expeditie naar Noorwegen en bij het begin van de Duitse invasie in het
Westen het aftreden van Chamberlain onvermijdelijk was geworden, trad hij aan
het hoofd van een coalitieregering als de voor dit zware uur geboren
oorlogsleider van het Engelse volk op. ‘I have nothing to offer but blood, toil,
tears and sweat!’ zei hij in zijn eerste verklaring in het Lagerhuis en vanaf
dat moment was zijn naam verbonden aan alle voor- en tegenspoed in de Engelse en
geallieerde oorlogvoering. Waar de grote beslissingen genomen moesten worden,
militair zowel als politiek, was hij persoonlijk aanwezig.
Na de overwinning van de geallieerden tegen Duitsland viel de coalitie weer
uiteen. Churchill vormde toen een conservatief kabinet, maar bij de verkiezingen
(juli 1945) leed zijn partij de nederlaag. Churchill beschouwde de
verkiezingsuitslag als een daad van grote ondankbaarheid van het Britse volk.
Als oppositieleider verzette hij zich tegen de dekolonisatiepolitiek van Labour
(ten aanzien van India, Birma, Egypte en Palestina), die hij beschouwde als de
ondergang van het Britse Empire. Voortdurend kritiseerde hij de
financieel-economische en dure sociale politiek, waarmee Labour een
welvaartsstaat trachtte te scheppen. Als conservatief van liberalen huize zag
hij de vrijheid in een socialistische staat bedreigd.
Na 1945
Consequent vroeg Churchill
aandacht voor de dreiging van het wereldcommunisme. In 1946 hield hij twee
uitermate belangrijke redevoeringen betreffende de internationale politieke
verhoudingen. Zijn beroemde Fulton-rede (in maart) betekende een keerpunt in de
verhouding tussen de Sovjet-Unie en de westelijke geallieerden (zie ook Koude
Oorlog). In zijn Züricher rede (in september) riep hij op tot een verenigd
Europa en een verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. Engeland moest echter
meer op het Gemenebest dan op Europa georiënteerd blijven.
Als oppositieleider begon Churchill tevens aan het schrijven van zijn The Second
World War (6 dln., 1948–1954). In 1951 kwamen de conservatieven onder Churchill
weer aan de macht. In 1953 werd Churchill door koningin Elizabeth opgenomen in
de Orde van de Kouseband, een eerbewijs dat hij in 1945 na de
verkiezingsnederlaag geweigerd had te aanvaarden. In juli 1953 werd hij
getroffen door een beroerte, waarvan hij na een paar maanden herstelde. In
hetzelfde jaar ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Op zijn tachtigste
verjaardag (1954) bracht de Britse natie hem een grootse hulde. Na zijn ontslag
op 5 april 1955 werd hij opgevolgd door A. Eden. Tot aan de vooravond van de
algemene verkiezingen in 1964 bleef hij lid van het Lagerhuis. Bij zijn
overlijden werd hij in de gehele wereld herdacht als een van de grootste
staatslieden van deze eeuw. |
|
|
|