header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Afrikaanse
muziek

 

 
   


 

 

 


 

 


 

 


 

 

 


Etnomusicologische indeling
De muzikale cultuur van Afrika is als geheel slechts overzichtelijk te maken, als wordt uitgegaan van een onderverdeling van dit werelddeel in enkele kleinere gebieden die in muzikaal opzicht zelfstandige eenheden vormen, met karakteristieke onderlinge verschillen.

De Amerikaanse etnomusicoloog A.P. Merriam deelde in 1959 het werelddeel in in zeven hoofdgebieden, te weten: 1. Het gebied van de Bosjesmannen en Hottentotten, waar de schietboog tevens als muziekinstrument wordt gebruikt; de melodievorming berust op reeksen bovenharmonischen (zie harmonischen). Ook stilistisch vormt dit gebied een hechte eenheid. 2. Oost-Afrika. Speciale vormen van muziekinstrumenten, een eigen trommelstijl, islamitische invloed en afwezigheid van ‘hot rhythm’ zijn kenmerkend. 3. De ‘Hoorn’, waar de muziek vnl. wordt gekenmerkt door sterke invloed van de islamitische muziek. 4. Midden-Afrika, dat zich onderscheidt van de omliggende gebieden door veel ruimer gebruik van slaginstrumenten, echter minder dan in West-Afrika. 5. West-Afrika, waar in de meeste muziekvormen de slaginstrumenten overheersend zijn. Hier wordt bij voorkeur ‘hot rhythm’ toegepast. 6a. Soedan dat een algehele muzikale vermenging van zwart-Afrikaanse en islamitische stijlen vertoont; 6b. het woestijngebied dat vnl. van de Arabische muziek afgeleide stijlen kent. 7. Noord-Afrika dat zuiver Arabisch is wat muziekstijl betreft.

Instrumenten
Elk denkbaar instrumenttype is in ruime mate op het Afrikaanse continent vertegenwoordigd, dat bovendien enkele typen herbergt die elders niet voorkomen, zoals de sanza.

De snaarinstrumenten (en de sanza) worden bij voorkeur gebruikt ter begeleiding van de zang; hierbij wordt het leeuwendeel opgeëist door de tokkelinstrumenten. Harpen en luiten komen in vele vormen voor, met als typische representant de West-Afrikaanse kora, door zijn vorm als ‘harpluit’ gekarakteriseerd. Minder algemeen zijn de strijkinstrumenten, die in Afrika ten zuiden van de Sahara hun vorm en ontstaan te danken hebben aan Arabische resp. Europese invloed. Zij zijn vaak in handen van rondtrekkende barden en muzikale clowns. Citers komen in alle denkbare vormen voor, zoals staaf-, trog- en vlotciters, terwijl in bepaalde gebieden rijk versierde lieren worden gebruikt bij het reciteren van heldenliederen. Veel van de op deze instrumenten geproduceerde muziek heeft een uitgesproken percussief karakter zonder dat er eigenlijke slaginstrumenten gebruikt worden. Dit effect wordt o.m. bereikt door het regelmatig herhalen van korte instrumentale motieven.

Ook de blaasinstrumenten vertonen vaak deze stijl. Hoorns en trompetten zijn meestal vervaardigd van dierlijk materiaal (bijv. slagtanden van olifanten) of van hout of metaal, en vaak met schitterend snijwerk versierd. Pansfluiten komen voor als losse bamboepijpjes, waarbij iedere speler dus één toon tot zijn beschikking heeft (een techniek die ook de hoornensembles kennen), terwijl daarnaast de pansfluit ook voorkomt in zijn complete vorm. In vele delen van West-Afrika is de dwarsfluit een geliefd instrument; een bijzonderheid bij sommige ervan is, dat de bespeler tijdens het spel ook vaak zijn stembanden doet meeklinken. Meer dan eens is de Afrikaanse dwarsfluit van aluminium industriebuis vervaardigd, met of zonder versiering van kaurischelpjes.

De slaginstrumenten zijn te verdelen in a. trommels; b. overige slaginstrumenten zoals xylofoons, klepelloze klokken, spleettrommen, enz. Het Europese spraakgebruik rekent hiertoe ook rammelaars, ratels, enz. De groepsdans is de aangewezen gelegenheid de trommels te laten klinken, slechts zelden worden zij solistisch gebruikt. De combinatiemogelijkheden zijn zeer verscheiden: van het West-Afrikaanse trommeltrio tot de grote tromensembles waarin twaalf en meer melodisch afgestemde trommels een zelfstandige eenheid (orkest) vormen. Als vorstelijke regalia komen ze voor o.a. bij de Ashanti en de Tutsi, waar zij in bepaalde gevallen worden gepersonifieerd en een eigennaam bezitten of als onvervreemdbare grafgave aan de dode worden meegegeven. ‘Talking drums’, trommels gebruikt als communicatiemiddel, zijn meestal houten, meertonige spleettrommen waarop de spreektaal als het ware wordt omgezet in trommeltaal met behoud van de kenmerkende verschillen in toonhoogte van de Afrikaanse talen (zie toontalen). Met hoge snelheid kunnen op deze wijze mededelingen ‘overgeseind’ worden over zeer grote afstanden, hoewel lokaal gebruik ook zuiver muzikale toepassing toestaat van dit type muziekinstrument. Toepassing van dit communicatieprincipe komt tevens voor bij een type met veranderbare velspanning en bij xylofoons.

Grotere bekendheid geniet de wijdverbreide xylofoon waarbij onder iedere toets een klankresonator (kalebas, granaatappel, bamboe, desnoods leeg conservenblikje) is bevestigd. Dit instrument wordt met grote virtuositeit bespeeld, vaak door twee of meer tegenover elkaar zittende spelers. De Chopi (Oost-Afrika) hebben xylofoons verenigd tot orkesten van waarlijk symfonische allure. Kenmerkend voor de Afrikaanse xylofoon is een meetrillend membraan van coconweefsel, vloeipapier e.d., dat in de wand van de resonatoren is aangebracht. Dergelijke ‘meetrillers’ komen ook voor bij sommige trommels, de sanza en aan de binnenzijde van magische dansmaskers, waarvan de mondopening van binnen is afgesloten met zulk een membraan. In het laatste geval gebeurt dit niet zozeer om esthetische redenen dan wel om de stem van de danser evenzeer te vermommen als zijn overige uitrusting (vgl. de uitdrukking ‘geen blad voor de mond nemen’).

Ritme
Eenzijdige beoordeling heeft buiten Afrika aan het ritme in de Afrikaanse muziek veel meer aandacht geschonken dan aan andere veel gebruikte, maar van westers gebruik minder afwijkende muzikale expressiemiddelen. De oorzaak van deze gerichtheid in westerse belangstelling is de betrekkelijke ritmische schraalheid van de West-Europese muziek waartegen de gecompliceerde ritmen van o.m. Afrika monumentaal afsteken. Een van de wezenskenmerken van de Afrikaanse muziek is haar polyritmiek, waarbij n spelers n ritmen in n metrische eenheden simultaan binnen dezelfde tijdsduur produceren zonder nochtans de hechtheid van de structurele samenhang geweld aan te doen.

Hoewel in geheel Afrika machtige trommelritmes voorkomen, onderscheidt zich de ritmiek langs de westkust door een diep doorvoeld toepassen van syncope [muziek]n. Hierbij ondergaat de luisteraar een complexe ritmische structuur als gebaseerd op regelmatig over de gegeven tijdspanne verdeelde slagen, zonder dat deze slagen (de metronomische eenheden) in werkelijkheid gespeeld worden. Doorgaans voorzien hierin wel de voeten van de dansers of het handgeklap van de omstanders. Dit uitermate geraffineerde spel met syncopen is door R.A. Waterman als ‘hot rhythm’ gekarakteriseerd.

Melodie en vorm
Vocale melodieën zijn in het algemeen gebouwd op de diatonische toonladder (zie diatoniek). Doorgaans is het verloop van een Afrikaanse melodie als volgt: een sterke stijging aan het begin wordt gevolgd door een geleidelijke melodiedaling. Dan weer een plotseling stijgen, weer gevolgd door een geleidelijk dalen. De melodische tendens is telkens een hoge, plotselinge inzet en een geleidelijk dalen op deze zigzagmanier. Er treedt geen verandering van ‘toonsoort’ op. De melodiek van de instrumenten is veel complexer, zoals ook de stemmingen van bepaalde instrumenten (met name xylofoons) een van de diatonie afwijkende temperatuur hebben. De bekendste vorm is antifonie, het afwisselend zingen door solist (voorzanger, leider) en koor, waarbij de solist grotendeels improviserend te werk gaat, terwijl de antwoordende koorpartij ongewijzigd blijft. In West-Afrika komt de canonvorm zeer veel voor. Ook meerstemmigheid is geen zeldzaamheid: het simultaan laten klinken van meer dan één toonhoogte door verschillende zangers resp. musici. Het zingen in parallelle tertsen, kwarten en kwinten is algemeen verbreid, terwijl ook andere vormen van meerstemmigheid wel voorkomen.

Functie
Van een scheiding tussen ‘kunstenaar’ en ‘publiek’ in westerse zin is in Afrika slechts in enkele gevallen sprake. Kunst, dus ook muziek, maakt deel uit van ieders dagelijks leven. Dit houdt tevens in dat aan muziek en dans door vrijwel iedereen wordt deelgenomen. Uitzonderingen hierop zijn professionele, reizende zangers, musici uit de hofhouding van enkele hoofden, en andere specialisten. Muziek speelt bovendien een grote rol als verstrooiingsmiddel, bij religieuze gelegenheden (geboorte-, inwijdings-, huwelijks-, begrafenisritueel), als middel voor sociale controle (spotliederen op politici bijv.), als ondersteuning bij zware coöperatieve arbeid bij de landbewerking, bij het roeien e.d. In tegenspraak met de feiten is, dat de magie een overheersende rol zou spelen in het muzikale leven. Een Tutsi-trom kan inderdaad magische kracht bezitten, maar belangrijker is dat hij tevens politieke (koninklijke) macht symboliseert.

Kerkmuziek
Vele christelijke negerkerken hebben tegenwoordig een plaats ingeruimd voor de inheemse muziek in hun liturgie, daar de Europese traditionele kerkzang te grote problemen oplevert wat betreft taal, melodie, ritme en instrumentatie. Er zijn thans missen in gebruik waarin Gregoriaanse melodieën (zie Gregoriaanse muziek) worden afgewisseld met muziek in Afrikaans idioom met traditionele toepassing van trommels, de half-improviserende voorzanger en zelfs dansen. Ook in de protestantse kerken is een dergelijk streven naar ‘Afrikanisatie’ van de liturgie door overname van Afrikaanse muziek merkbaar.

Amusementsmuziek
De geschiedenis van amusements- en populaire muziek gaat terug tot het begin van de 20ste eeuw. De Europese nederzettingen groeiden uit tot grote steden, ontmoetingsplaatsen van Afrikanen, Europeanen en terugkerende slaven. Men maakte er kennis met de militaire kapellen van de garnizoenen, de calypso van zwarte matrozen en soldaten die terugkeerden uit het Caribisch gebied, en de samba van de vrijgelaten slaven uit Brazilië. Omstreeks de eeuwwisseling ontstonden in de kustplaatsen van Ghana de eerste dansorkesten. De elitaire ‘highlife’ muziek werd door het arme deel van de bevolking geïmiteerd op gitaren en Afrikaanse trommels:‘palmwine-highlife’, in Nigeria juju genoemd. In de jaren zestig werden de akoestische gitaren vervangen door elektrische. De elitaire dansorkesten speelden toen jazz- en popmuziek, maar een hernieuwde belangstelling voor de eigen tradities in de jaren zeventig betekende een terugkeer naar traditionele Afrikaanse ritmes, melodieën, instrumenten en lokale talen. Pas ca. 1940 combineerden muzikanten uit Frans-Kongo en Belgisch-Kongo de verschillende gitaarstijlen uit de Engelstalige landen met hun eigen traditionele muziek, waarbij met name de invloed van Cubaanse muziek (rumba) groot was. Vanaf midden jaren zestig deed ook hier de elektrische gitaar zijn intrede, en werden blazers toegevoegd. De muziek werd bekend als soukous, de latere ‘disco-variant’ als makossa. Als reactie op de toenemende invloed van de Kongolese popmuziek werd in Mali en Senegal eind jaren zeventig de eigen traditionele muziek gemoderniseerd door bijv. de kora te vervangen door een gitaar. In Oost-Afrikaanse landen zijn populaire muzieksoorten als de tarabu geënt op Arabische muziek en tegenwoordig vooral op Indiase filmmuziek. De basis van de populaire muziek in Zuid-Afrika is de marabi, een mengeling van de melodieuze Zoeloe-muziek en Amerikaanse ragtime, die in de jaren twintig werd ontwikkeld in de townships. Typerend voor deze muziek is het harmonische schema tonica-subdominant-tonica-dominant dat steeds herhaald wordt. Uit dit genre ontstonden kwela, gespeeld op een fluitje, eventueel aangevuld met gitaar, bas, saxofoon, piano, enz.; mbube, gezongen door een koor van 8 à 10 mannelijke zangers; mbaqanga, popmuziek; township jazz, de Zuid-Afrikaanse variant van Amerikaanse jazz.
 
 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009