header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Anton Bruckner

 

 
   


 

 


 

 

Bruckner, (Josef) Anton

(Ansfelden 1824 - Wenen 1896)

Oostenrijks componist en organist. Bruckner is in de muziekgeschiedenis een op zichzelf staand figuur. Zijn werk past, vooral wat de vormgeving betreft, niet meer in de klassieke tradities en heeft geen navolgers gehad. Zijn symfonisch oeuvre is uitzonderlijk en omvat werken van monumentale afmetingen. Zijn leven werd gekenmerkt door een zeker isolement; in de strijd tussen de aanhangers van Brahms en Wagner was hij als Wagner-vereerder in het Brahms-gezinde Wenen het mikpunt van veel vinnige aanvallen.

Leven

Bruckner stamde uit een onderwijzersfamilie. Hij kreeg muzieklessen van zijn vader en van zijn neef Johann Weisz, die hem na de dood van zijn vader (1837) een opleiding tot onderwijzer liet volgen in Sankt Florian, waar de organist van de Stiftskerk, Anton Kattinger, hem orgelles gaf. In 1845 werd hij er als organist aangesteld; in 1856 volgde zijn benoeming tot domorganist in Linz. De bisschop van Linz stelde hem in staat in Wenen les te nemen bij de muziektheoreticus Simon Sechter (1788-1867). Na de dood van Sechter werd Bruckner in diens plaats benoemd aan het Weense conservatorium (1868). In het Brahms-gezinde Wenen bleef hij lang een miskende provinciaal; door zijn bewondering voor Wagner, met wie hij in 1865 had kennisgemaakt, ontmoette hij veel tegenstand. In zijn latere leven kwam de erkenning: in 1875 werd hij benoemd tot lector aan de universiteit van Wenen, en in 1878 tot hoforganist; in 1886 werd hem de Franz Joseforde verleend, en in 1891 een eredoctoraat aan de Weense universiteit. In 1892 trok Bruckner zich uit het openbare leven terug; hij stierf in Wenen en werd begraven in de Stiftskerk van Sankt Florian.

Werken

Bruckner zelf heeft in zijn werken een scherpe scheiding aangebracht. Alles wat vůůr 1863-1864 was ontstaan, achtte hij `ongeldig'; volledig door hem `erkend' zijn de symfonieŽn 1 t/m 9 - zij waren voorafgegaan door twee studiesymfonieŽn (1863 en 1863/64-1869), de laatste bijgenaamd de Nulde symfonie - het strijkkwintet, het Te Deum , drie missen, de 150e Psalm en Helgoland voor mannenkoor en orkest. De late symfonieŽn van Beethoven en Schubert liggen ten grondslag aan de vorm, Wagners Tristan und Isolde aan de harmonie en de orkestratie van Bruckners symfonieŽn. Hoewel gebaseerd op een betrekkelijk eenvoudig vormschema, passen ze niet meer in de klassieke traditie. In het eerste en laatste deel worden drie thema's aangewend, waarvan dikwijls ťťn het karakter heeft van een koraal. De verwerking van de drie thema's - beter is te spreken van themagroepen - verloopt zeer langzaam, in een, vooral in de finale, gecompliceerd contrapunt. Een terrassenvormige dynamiek, vol massieve contrasten, en de toepassing van lange rusten, de zgn. Generalpause, vormen enkele andere facetten van zijn stijl. De dynamiek herinnert aan orgelregistraties; de pauzen worden zinvol bij een uitvoering in een zeer grote, overakoestische ruimte (met meer dan normale nagalm). Het orkest is zeer omvangrijk, met belangrijke partijen voor de koperblazers, die de klank een grote monumentaliteit geven.

Bruckner heeft aan zijn symfonieŽn lang gewerkt en ze voortdurend herzien: 1e symf. 1865-1891; 2e symf. 1871-1877; 3e symf. 1873-1889; 4e symf. 1873-1880; 5e symf. 1877-1878; 6e symf. 1879-1881; 7e symf. 1881-1883; 8e symf. 1884-1889; 9e symf. 1887-1896. Goedwillende bewonderaars brachten hem er bovendien toe zijn stugge orkestratie aan het klankideaal van Wagner aan te passen of door anderen te doen aanpassen. Dit is de reden dat er van Bruckners symfonieŽn verschillende versies bestaan. In de 20e eeuw is men weer tot de overtuiging gekomen dat Bruckners in wezen sacrale symfonieŽn niet passen in een op klankschoonheid gericht orkestraal gewaad.

Zijn 9e symfonie bleef onvoltooid: Bruckner bepaalde dat het Te Deum (1881-1884) de finale ervan zou vormen, een oplossing die herinnerde aan de 9e symfonie van Beethoven. Aangezien zijn late koorwerken in wezen ook vocale symfonieŽn zijn, vormt het Te Deum ťn structureel ťn geestelijk een bekroning van zijn symfonisch werk, dat hij zijn leven lang in dienst van God heeft willen stellen.

Bruckners werken werden uitgegeven door de in 1927 opgerichte Internationale Bruckner Gesellschaft; belangrijke biografieŽn werden geschreven door August GŲllerich (1922-1936) en Max Auer (1923).

 

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009