header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Anton Webern
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 

 

Webern, Anton (Friedrich Wilhelm von)

(Wenen 1883 - Mittersill, Salzburg 1945)

Oostenrijks componist en dirigent. Webern kreeg vanaf zijn tiende jaar piano-, cello- en theorielessen. Van 1902 tot 1906 studeerde hij in Wenen muziekwetenschap, waarin hij promoveerde op een onderwerp uit de Renaissance. Van 1904 tot 1908 was hij compositieleerling van Schönberg. Verder werkte hij in die jaren als dirigent in binnen- en buitenland. Na de Eerste Wereldoorlog deed hij belangrijk werk voor de Verein für musikalische Privataufführungen en leidde hij concerten voor de arbeidersklasse. In 1927 werd hij benoemd tot dirigent bij de Oostenrijkse radio. Na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland (1938) mocht hij niet meer in het openbaar optreden en wijdde hij zich geheel aan privéonderricht en compositie.

Webern heeft slechts een zeer beperkt oeuvre nagelaten en tijdens zijn leven bleef hij vrijwel onbekend. Critici beschouwden hem als een leerling van Schönberg, die het einde van een destructieve fase in de muziekgeschiedenis verpersoonlijkte. Inmiddels is gebleken dat juist Webern degene was wiens werken de meeste aansluiting gaven met de toekomst, de seriële en de elektronische muziek. Webern ontwikkelde zijn techniek heel langzaam, vanuit dezelfde uitgangspunten als de twee andere grote vertegenwoordigers van Tweede Weense School, Schönberg en Berg, maar met een uiterste consequentie. Al vanaf zijn eerste werken is het duidelijk dat hij zeer veel belang hechtte aan de klankkwaliteit van de verschillende instrumenten en deze als vormelement hanteerde. Hierdoor ontstond het begrip Klangfarbenmelodie (een term die door Schönberg in zijn harmonieleer ingevoerd werd): de melodie wordt niet zozeer gevormd door een aaneenrijging van toonhoogten, als wel door die van verschillende timbres. (Schönbergs derde van de Fünf Orchesterstücke uit 1909 bestaat vrijwel geheel uit een vijftonig akkoord dat steeds anders over de instrumenten verdeeld wordt.) Deze techniek, die het individuele karakter van elke toon in elk instrument zelfstandig maakt, leidde tot Weberns pointillistische of punctuele stijl, een stijl die vervolgens typerend werd voor de vroege seriële muziek rond 1950, bijv. werken van Stockhausen en Karel Goeyvaerts. Weberns werken worden gekenmerkt door een grote soberheid en concentratie. De vijfde van Sechs Bagatellen telt bijvoorbeeld slechts negen maten en de vierde van Fünf Stücke voor orkest duurt slechts negentien seconden. Zijn oeuvre vertoont een grotere geleidelijkheid in ontwikkeling dan bij Schönberg het geval is, maar laat zich toch ook in drie fasen onderverdelen. In de eerste periode, tot 1914, zette hij zich af tegen de tonaliteit en stelde hij voor de harmonie als vormend middel de samenhang van de klankkleur in de plaats. Uit deze periode stammen de orkestwerken Passacaglia (1908), Sechs Stücke (1909-1910) en Fünf Stücke (1911-1913), Fünf Sätze (1909) en Sechs Bagatellen voor strijkkwartet (1913), en een pianokwintet (1906-1907).

De tweede periode (1915-1926) wordt overheerst door vocale werken, waaronder Fünf Kanons voor sopraan en twee klarinetten (1924) en Chinesisch-deutsche Jahres- und Tageszeiten voor koor en instrumentaal ensemble (1926).

In zijn laatste scheppingsperiode kwam Weberns dodecafone stijl tot volledige wasdom, met gebruikmaking van streng contrapunt, duidelijke motief-structuur en een doorzichtige bouw. Tot de werken uit deze tijd behoren een symfonie voor klein orkest (1928), een strijktrio (1927) en een strijkkwartet (1937-1938), pianovariaties,(1936), Drei Gesänge aus Viae inviae (1933-1934), Das Augenlicht voor koor en orkest (1935) en de Kantates I en II (1938-1939 en 1941-1943) voor soli, koor en orkest.

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement