header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Arnold Schönberg
 

 
   




Schönberg, Arnold

(Wenen 1874 - Los Angeles 1951)

Oostenrijks-Amerikaans componist. Schönberg begon al op achtjarige leeftijd te componeren. Hij maakte enige jaren in Berlijn cabaretarrangementen, dirigeerde lichte muziek en gaf les aan het conservatorium. In 1903 vestigde hij zich als componist, leraar en dirigent in Wenen. In 1918 richtte hij daar de Verein für musikalische Privataufführungen op, die experimentele concerten organiseerde, waardoor werken van hemzelf en zijn leerlingen het publiek bereikten. In 1933 vestigde hij zich voorgoed in de Verenigde Staten. Hoewel Schönberg vrijwel geen muzikaal onderricht had genoten (hij volgde slechts wat lessen bij Alexander von Zemlinsky), had hij een grondig muzikaal inzicht en was daarom een zeer gezocht pedagoog. Zijn Harmonielehre uit 1911 behoort tot de standaardwerken van de muziektheorie. Schönbergs oeuvre telt drie periodes: een tonale, een atonale en een dodecafone. In de werken uit de eerste periode zijn invloeden van Mahler (bijv. de grootte van het orkestapparaat) en Wagner (het bereiken van de grenzen van de harmonische mogelijkheden) duidelijk herkenbaar. De bekendste composities zijn: Verklärte Nacht voor strijksextet (1899, in 1917 en 1943 versies voor strijkorkest), de Gurrelieder voor soli, koor en orkest (1900-1901), het symfonisch gedicht Pelleas und Melisande (1903) en de Kammersymphonie (1906). Het tweede strijkkwartet, met sopraansolo, (1907-1908) vormt de overgang naar de tweede periode.

Deze atonale periode werd ingezet met de liederencyclus Das Buch der hängenden Garten (1908-1909; op gedichten van Stefan George) en Drei Klavierstücke (1909). Andere belangrijke werken zijn: de Fünf Orchesterstücke (1909), de opera's Erwartung (1909) en Die glückliche Hand (1909-1913), en het melodrama Pierrot Lunaire (1912), waarin hij een meesterlijk gebruik maakte van het Sprechgesang (een soort sprekend zingen). De atonaliteit leidde hem al vrij snel in een impasse door het tekort aan structurerend materiaal, en vanaf 1913 componeerde Schönberg enige tijd vrijwel niets meer, op zoek naar nieuwe vormende middelen. In 1917 begon hij aan het onvoltooid gebleven oratorium Die Jakobsleiter , waarin zich de tendens naar de twaalftoontechniek begon af te tekenen, die hij in de Fünf Klavierstücke (1920-1923) en de Serenade voor lage mannenstem en zes instrumenten (1921-1924) voor het eerst als compositorisch principe toepaste.

Op een enkele uitzondering na (bijv. Thema en variaties voor blaasorkest uit 1943) schreef Schönberg vanaf die tijd alleen nog streng dodecafone werken, waarvan de voornaamste zijn: de opera's Von heute auf morgen (1928-1929) en Moses und Aron (1930-1932, onvoltooid), Kol Nidre (1938) en A survivor from Warsaw (1947), beide voor spreekstem, koor en orkest, en een vioolconcert (1942).

Schönberg behoorde met Berg en Webern tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Tweede Weense School, die in de eerste decennia van de 20e eeuw de 19e-eeuwse tonale schrijfwijze verwierpen en deze vervingen door de dodecafonie (twaalftoontechniek).

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement