header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Béla Bartok

 

 
   



 

 

 

 

 

 

Bartók, Béla

(Nagyszentmiklós, destijds Hongarije, thans Roemenië, 1881 - New York 1945)

Hongaars componist, pianist, muzieketnoloog en -pedagoog. Samen met zijn landgenoot Zoltán Kodály nam Bartók het initiatief tot een systematisch onderzoek naar de boerenvolksmuziek van de Balkan. Dit zou tevens de grondslag worden voor zijn overige werk. Als componist ontwikkelde hij zich tot voortzetter van de laat-romantische tradities. Hij wist deze te verbinden met zowel klassieke en voor-klassieke vormen en technieken (sonate, fuga) als met de volksmuzikale melodiek en ritmiek. Zijn muziek heeft daardoor een bij uitstek nationaal karakter.

Bartók studeerde in Pressburg (Bratislava) en Boedapest. In beide steden droeg het muziekleven het stempel van de Donaumonarchie, waartoe Hongarije destijds behoorde. In deze sfeer veroorzaakte de premičre van Bartóks eerste orkestwerk, het symfonisch gedicht Kossuth (de naam van de Hongaarse vrijheidsheld), een politiek schandaal (1904). In 1906 begon Bartók met het verzamelen van Hongaarse en verwante boerenmuziek. Tot 1936 bereisde hij met dit doel de Balkan en delen van Noord-Afrika en Turkije. Het verzamelwerk van Bartók en Zoltán Kodály (1882-1967) vond een neerslag in een reeks toonaangevende volksliedstudies, -uitgaven en -bewerkingen, beginnend met Twintig Hongaarse volksliederen (1906) en afgesloten door het monumentale Corpus musicae popularis hungaricae (postuum, 1951 e.v.).

In 1907 werd Bartók benoemd tot docent piano aan het conservatorium van Boedapest. Een onverwacht succes werden zijn opera Hertog Blauwbaards burcht (1911), het ballet De houten prins (1914-1916) en de Danssuite (1923). Met de Sonate voor piano (1926) begon Bartóks vruchtbaarste periode, met o.a. Mikrokosmos (1926-1937), de strijkkwartetten III-V (1927-1939), Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (1936), de Sonate voor twee piano's en slagwerk (1937) en het tweede vioolconcert (1938). Vanaf 1934 trok hij zich steeds meer uit het onderwijs terug om zich te kunnen wijden aan de hem opgedragen classificatie van Hongaarse volksliederen.

In 1940 week hij voor het fascisme uit naar de Verenigde Staten, waar hem een eredoctoraat en een wetenschappelijke opdracht wachtten. Het werden echter jaren vol teleurstellingen. Zijn zwakke gezondheid was ondermijnd (leukemie) en het gebrek aan medewerking en erkenning frustreerde het weinige werk dat hij nog kon verrichten. Het wereldberoemd geworden Concert voor orkest (1943, opdracht van de Koussewitsky Foundation) vertoont de sporen van zijn afnemende geestkracht. De Sonate voor soloviool (1944, opdracht van Yehudi Menuhin) wordt daarentegen als een meesterwerk beschouwd. Het derde pianoconcert bleef onvoltooid; van een concert voor altviool kwam slechts een schets tot stand. Beide werken werden na Bartóks dood voltooid door Tibor Serly.

Werken

Vooral Bartóks vroege werken worden gekenmerkt door sterk dissonante samenklank en motorische ritmiek. Zij sluiten hiermee aan bij de anti-romantische `neobarok' van bijv. Hindemith. De Bartók graag toegeschreven expressionistische tendensen zijn meer van literaire dan van muzikale aard. De atonaliteit van de Weense School was hem wezensvreemd. Bovendien was daar de `humaniserende werking' (Bartóks biograaf Szabolsci) van zijn volksliedwerk. Toen hij zich daar in 1905, waarschijnlijk uit negatieve, anti-Duitse overwegingen, op wierp, legde hij zijn artistieke toekomst grotendeels vast. Door zijn veldwerk ontdekte hij muziek die gebruik maakte van reeds lang doodgewaande toongeslachten en van nog onbekende ritmen. De Hongaarse volksmuziek bleek veel meer te omvatten dan men tot dan toe had verondersteld.

Zowel direct als indirect heeft Bartók zich de boerenmuziek eigen gemaakt, zodat zijn werken een onvervreemdbaar-nationaal karakter zouden krijgen. Zijn behandeling van het slagwerk als zelfstandige component vindt mede haar oorsprong in de volksmuziek. Een andere invloed is die van Debussy, vooral merkbaar in de vele nachtmuzieken en natuurgeluiden, bijv. het derde deel uit de Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta .

Bartóks grootste betekenis ligt in zijn piano- en kamermuziek. De piano-slagklank, die voor het eerst in het Allegro barbaro (1911) voorkomt, wordt in de Sonate voor piano (1926) tot stijlprincipe verheven. Baanbrekend is Mikrokosmos (1926-1937), een progressieve pianoleergang van 153 stukken. Het zijn vooral de kleine en allerkleinste vormen (een scherzo, een menuet) die hij voor de piano reserveert. De volksmuzikale invloeden zijn daar dan ook het sterkst. De grote vormen komen aan bod in het strijkkwartet. De kwartetten III-V staan op een sinds Beethoven niet meer gekend niveau, mede door een rigoureus toegepast contrapunt en nieuwe strijktechnieken. Zijn laatste werken vertonen een terugkeer naar een eenvoudiger, lyrische melodiek.

Na zijn dood heeft de wereld Bartók erkend als een onafhankelijk en volledig kunstenaar. Muzikaal heeft hij vrijwel geen navolging van betekenis gehad. Zijn wetenschappelijk werk daarentegen is de basis geworden voor het onderzoek dat thans op nationale schaal in Hongarije en andere Balkanlanden plaatsvindt. Van zijn overige werken kunnen nog worden genoemd: Twee portretten (1907-1908; voor orkest), Voor kinderen (1908; voor piano), drie piano-etudes (1918), De wonderbaarlijke mandarijn (1918-1919; ballet), In de open lucht (1926; voor piano), Cantata profana (1930; voor koor, soli en orkest) en Divertimento (1939; voor strijkorkest).

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009