header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Claude Debussy

 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 

 

 


 

 

 


 

 

Debussy, Claude (Achille)

(Saint-Germain-en-Laye 1862 - Parijs 1918)

Frans componist. Debussy was afkomstig uit een zeer eenvoudige familie. Door toedoen van de schoonmoeder van de dichter Verlaine, mevrouw Mauté de Fleurville, die zijn natuurlijke begaafdheid ontdekte en door middel van pianolessen ontwikkelde, kon hij een conservatoriumopleiding volgen. Vanaf 1872 studeerde hij o.a. bij Lavignac (theorie), vanaf 1873 bij Marmontel (piano) en vanaf 1880 bij Ernest Guiraud (compositie). In de jaren 1879-1882 reisde hij gedurende de zomermaanden door Europa als huispianist van mevrouw Von Meck, Tsjaikovski's weldoenster; hier, en bij de Parijse familie Vasnier, kon hij zijn aangeboren hang naar luxe bevredigen. Aangemoedigd door mevrouw Vasnier, aan wie hij zijn eerste liederen opdroeg, en met veel begrip begeleid door Guiraud, concentreerde hij zich steeds meer op het componeren. In 1884 won hij met de cantate l'Enfant prodigue de Prix de Rome. Het hieraan verbonden tweejarig verblijf in Rome beviel hem echter slecht.

Teruggekeerd in Parijs, verbrak hij alle oude banden; hij zocht aansluiting bij de Parijse kringen van literatoren en beeldend kunstenaars, geconcentreerd rondom de dichter Mallarmé. Symbolisme, art nouveau en de belangrijkste stromingen in filosofie en psychologie van die tijd, vooral de nieuwe opvattingen over de wereld van de droom, hebben zijn werk beïnvloed. De poëzie van een van zijn weinige vrienden, Pierre Louys (1870-1925), inspireerde hem tot de Chansons de Bilitis (1897), een tekst van Rossetti tot de cantate La damoiselle élue (1887-1889), een gedicht van Mallarmé tot zijn eerste succesvolle orkestwerk (Prélude à l'après-midi d'un faune , 1892-1894), een toneelstuk van Maeterlinck tot zijn enige opera, Pelléas et Mélisande (voltooid in 1902). Terwijl hij de tekstdichter van zijn eerste liederen, Verlaine, trouw bleef (Ariettes oubliées , 1888; Fêtes galantes I en II, 1893, 1904), zette hij o.a. ook vijf teksten van Baudelaire (1887-1889) en vier eigen teksten (Proses lyriques , 1892-1893) op muziek. De langdurige arbeid aan zijn opera heeft de scheppingskracht van Debussy duidelijk gestimuleerd, waarbij hij geleidelijk een volstrekt eigen idioom ontwikkelde, dat het uitzonderlijke karakter van zijn opera bepaalt en ook in zijn grotere orkestwerk La mer (1905) volledig tot uitdrukking komt.

Zijn latere werk, dat studieobject is geweest voor veel moderne componisten, was meer abstract-muzikaal georiënteerd. André Caplet was de belangrijkste vriend en medewerker in zijn laatste moeilijke jaren, verzwaard door geldzorgen en door de slepende ziekte (kanker) die zich al in 1909 openbaarde. Om financiële redenen aanvaarde concertreizen als dirigent en compositieopdrachten van o.a. Nizjinski (het ballet Jeux , 1912), Ida Rubinstein (toneelmuziek bij Le martyre de Saint-Sébastien van D'Annunzio, 1911) en zijn uitgever Durand (een niet voltooide reeks van zes sonates voor verschillende instrumenten) vergden het uiterste van zijn krachten. Zijn plannen voor twee opera's naar verhalen van Poe heeft hij niet kunnen verwezenlijken.

Stijl en stijlkenmerken

In de omvangrijke literatuur over Debussy (o.a. van L. Vallas, E. Decsey, A. Liess, E. Lockspeiser, R. Myers, E. Vuillermoz) worden verschillende interpretaties gegeven van zijn veelzijdig oeuvre. De vele uitspraken van Debussy zelf, o.a. in zijn muziekkritieken (gebundeld in Monsieur Croche, antidillettante , 1921), zijn zowel verhelderend als tegenstrijdig. Zoals de meesten van zijn tijdgenoten onderging Debussy de invloed van Wagner, o.a. in diens gebruik van leidmotieven en de grote aandacht voor de orkestklank, die bij Debussy uitgroeide tot vormbepalend element. Hierin toonde hij zich de kleurgevoelige `impressionist', een omstreden classificatie, in de hand gewerkt door Debussy zelf, die, geestverwant van schilders als Manet, Turner en Whistler, in verschillende van zijn orkestwerken (Nocturnes , 1892-1899; La mer) kleur- en lichteffecten aanwees. Voor orkest en voor piano schreef hij drie resp. zes Images (1906-1911, 1905-1909); veel andere titels, o.a. onder zijn tweemaal twaalf preludes voor piano (1910-1913), duiden op atmosfeer- en natuurimpressies. Zijn twaalf etudes (1915), beïnvloed door Chopin, zijn een bezinning op de klankmogelijkheden van de piano.

Wagners sterk chromatisch gekleurde harmoniek groeide in de muziek van Debussy, met haar gecompliceerde en harmonische relaties, niet-opgeloste en onvolledige akkoorden en parallelle interval- en akkoordreeksen, uit tot een geleidelijk vervagen van het spanningsveld tussen consonant en dissonant, een herziening van de harmonische functies; de tonaliteit heeft Debussy echter nooit volledig losgelaten. Ook de regelmatige opbouw van de melodie in gelijke perioden en de duidelijke omlijning van de afzonderlijke thema's zijn bij Debussy onderworpen aan een proces van vervaging en differentiatie; in dit opzicht werd hij beïnvloed door de muziek van Moessorgski. Hoewel hij o.a. in zijn strijkkwartet (1893) de traditionele sonatevorm min of meer handhaafde, gebruikte hij in zijn opera hoofdzakelijk een `melodisch recitatief' en elders een zeer vrije melodiek, gebaseerd op kleine intervalsgroepen.

Een verruiming van het melodisch materiaal betekende het gebruik van toonreeksen, verwant aan de kerktoonsoorten en aan de oosterse muziek, hetgeen op natuurlijke wijze lijkt voort te komen uit zijn voorkeur voor een exotische of althans uitheemse sfeer (hiertoe kan zelfs het modieuze anglicisme van het voor zijn dochtertje geschreven pianowerk Children's corner , 1906-1908, worden gerekend) en zijn aandacht voor het muzikale verleden, die ook bleek uit zijn tekstkeuze (Trois chansons de France , 1904; Trois chansons de Charles d'Orléans voor koor a capella, 1898-1908; Trois ballades de François Villon , 1910) en het gebruik van vormen als prelude, sarabande, menuet en passepied (Pour le piano , 1896-1901; Suite bergamasque , 1890-1905).

Debussy, wiens voorkeuren niet vrij waren van een zeker, hoofdzakelijk tegen Duitsland gericht chauvinisme, noemde zich op de titelpagina van zijn laatste werken: musicien de France.
 

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement