header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Geschiedenis
van de muziek

 

 
   


 

 


 

 


 

 


 

 


 

 

 

 

 


 


Muziek is een begrip van alle tijden. In de prehistorie maakte men muziek met handen, voeten en stem. De eerste tastbare bewijzen dateren van zo'n 8.000 jaar voor Christus, waar de mens zich muzikaal ging uiten door middel van rammelaars, ratels, bromhout en eentonige fluiten uit beenderen. Wellicht was de mens reeds vroeger muzikaal actief, maar de eerste archeologische vondsten dateren uit die periode. Rond 2.700 voor Christus was er in Egypte reeds sprake van een 'hofmuzikant' : Hufu-'anh. Toen werd er reeds gezongen en gedanst in groep. Rond 1.200 voor Christus gebruikte men in het huidige Denemarken, Zweden en Noord Duitsland reeds bronzen reeds bronzen 'lieren'. De eerste geschreven notities van muziek dateren van 800 voor Christus, met het 'muziek-spijkerschrift' in Babylon. Vanaf die periode is muziek een ingeburgerd feit in de maatschappij. De Kelten hadden hun 'barden', dichters en zangers in rond 400 voor Christus werd er in Griekenland reeds muziek geschreven voor toneelstukken.Rond 100 jaar voor Christus namen de Romeinen de Griekse muziek en instrumenten over.
We maken een sprong in het verleden naar de periode van Guido van Arezzo (980-1050), de 'uitvinder' van de hedendaagse muzieknotatie.

De Middeleeuwen (negende eeuw)
Zoals bij literatuur en beeldende kunst wordt ook de muziekgeschiedenis ingedeeld in stijlperiodes.
Voor iedere stijlperiode gelden een aantal specifieke kenmerken, waardoor het in principe mogelijk is te bepalen tot welke periode een bepaald muziekwerk gerekend moet worden. Deze stijlperiodes vloeien geleidelijk over in mekaar en zijn afhankelijk van streek tot streek.
De Middeleeuwen duren in Noord Europa bijvoorbeeld langer dan in Italië, waar de Renaissance al in de 14de eeuw inzet. Terwijl in het begin van de twintigste eeuw diverse zeer modern klinkende muziekstijlen te beluisteren zijn, maken componisten nog tientallen jaren muziek in de stijl van de Romantiek (negentiende eeuw). Er zijn altijd muziekwerken die kenmerken hebben uit meerdere periodes of die zo apart zijn dat nauwelijks de periode is vast te stellen.
De Kerk en het Christendom waren zeer belangrijk voor de ontwikkeling van kunst en muziek. De kerk vormde het centrum van de kunsten, zoals bijvoorbeeld in de kloosters. In die tijd is er sprake van een driestanden-maatschappij: geestelijkheid, adel en burgerij. Beroepsmusici zijn voornamelijk in dienst van de Kerk. Dit verandert pas aan het einde van de Middeleeuwen. Aanvankelijk functioneerde de muziek vooral in de context van de erediensten in kathedralen, kerken en kloosters.

De Renaissance
De term "Renaissance" betekent letterlijk "wedergeboorte". In de 15e en 16e eeuw werd de Oudheid (de klassieke Griekse en Romeinse wereld) een bron van inspiratie. Veel wetenschappers, filosofen en kunstenaars beschouwden de Middeleeuwen als een duistere periode, die overheerst werd door de dwingende macht van de kerk die elke vernieuwing tegenhield. Met de herontdekking van het klassieke erfgoed (daar was de mens de maat van alle dingen) vond inderdaad een soort wedergeboorte plaats. Het begrip "Renaissance" staat dan ook voor de herleving van de menselijke waarden. Men streefde niet alleen meer naar zaligheid in het hiernamaals maar ook naar een bevredigend aards bestaan. Het hebben van en uitdrukking geven aan alle mogelijke menselijke genoegens werd niet meer sowieso als een zonde gezien. Het werk van kunstenaars en schrijvers moest naast Gods goedkeuring ook begrijpelijk en aangenaam voor de mens zijn.
Onder invloed van humanisme, ontdekkingsreizen, wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen wordt de aandacht voor de mens als individu groter. Het nieuwe mensbeeld heeft een nieuw type kunstenaar tot gevolg dat zichzelf als scheppende kracht ziet. Dat de mens steeds meer centraal staat, komt o.a. tot uiting in de beeldende kunst en literatuur. De muziek loopt t.o.v. de andere kunsten een beetje achter, pas vanaf 1450 breekt de Renaissance door in de muziek. De muziek wordt in vergelijking met de Middeleeuwen 'vermenselijk:'
De relatie tekst-muziek wordt belangrijker. Componisten gingen op zoek naar nieuwe middelen om de inhoud van de tekst te benadrukken. In plaats van de grillige melodielijnen van de gotische muziek wordt de eenvoudige door de menselijke adem bepaalde melodie het ideaal. De gecompliceerde gotische ritmiek maakt plaats voor een regelmatige ritmische puls. Het ritmisch verloop wordt bepaald door de natuurlijke declamatie van de tekst. De expressie van de tekst moet worden weergegeven.
Voor het eerst mag muziek beluisterd worden puur om haar esthetische kwaliteiten.
In de muziek gaat de de wereldlijke muziek een steeds grotere rol spelen ook krijgt de instrumentale muziek voor het eerst zelfstandige betekenis.
Als gevolg van de uitvinding van de muziekdruk (1476) zijn vanaf het begin van de 16e eeuw zeer veel composities gedrukt.
De rijkdom aan kunst en cultuur is te vinden aan de hoven in Frankrijk, Engeland en Italië en in kathedralen, kerken en kloosters. Ook de kerkmuziek levert haar bijdrage aan deze pracht en praal. In de Middeleeuwen lag het centrum van de culturele ontwikkeling in Frankrijk.  In de Renaissance verschuift dit. Met name in de 16e eeuw was Italië het centrum van de kunsten. De belangrijkste muzikale ontwikkelingen (ook schilder-en beeldhouwkunst) gebeurden in Italië.
De Franco-Vlaamse componisten waren veelvuldig in dienst van de Italiaanse vorstenhoven en het Vaticaan. Daar konden ze de meerstemmigheid ontwikkelen tot grote hoogten.  De Italiaanse componist Palestrina, beïnvloed door de Franco-Vlaamse stijl, heeft in zijn missen en motetten deze polyfone schrijfwijze geperfectioneerd.

Barok
De term Barok is een achteraf gegeven negatieve benaming voor de periode 1600-1750. Na 1750 wordt de kunst uit de voorgaande periode overdadig en onnatuurlijk gevonden. De muziek vindt men harmonisch verward en melodisch ingewikkeld. Later, in de 19de eeuw, is men anders tegen de Barokmuziek aan gaan kijken en is de negatieve bijbetekenis van de term Barok niet meer van toepassing.
De staat in de 17de eeuw is nog steeds een standenmaatschappij, waarbij koning (absolutisme) en adel de eerste stand zijn, de clerus (geestelijken) de tweede stand, burgers en boeren vormen de derde stand. Deze ordening is alleen door macht (leger) te handhaven, omdat de burgers in de steden door de opbloei van de wereldhandel in toenemende mate rijker en steeds beter opgeleid, dus mondiger worden.
De groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater (toneel, opera) en concertleven in de steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven. De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumententale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies.
De wereld lijkt een theater met acteurs, ceremoniemeesters en muziek: pruiken, gekunstelde aanspreek- en omgangsvormen vooral aan de hoven, in de opera zijn castraten dé sterren.
Instrumentale ensembles worden zelfstandig. Ze zijn per partij solistisch of twee/drievoudig bezet en bestaan uit strijkers en/of blazers (hobo, fagot, fluiten, trompet). Er ontstaat een echte instrumentale muziek los van de vokale modellen. Componisten krijgen steeds meer oor voor de specifieke technische mogelijkheden van de instrumenten. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek) bereiken in de Barok een hoogtepunt in hun ontwikkeling.
In ensemble muziek wordt de éénstemmig uitgeschreven baspartij vaak door een basinstrument en toetsinstrument (in accoorden) gespeeld: basso continuo. De instrumenten zijn cello (even­tueel gamba of fagot) en clavecimbel. In de kerk wordt in plaats van het clavecimbel het orgel gebruikt en in de meer intieme huismu­ziek de luit/gitaar. Het basso continuo is de begeleiding en erom heen worden alle mogelijke ensembles samengesteld.
Naast één of meerdere melodiestemmen wordt een basmelodie gegeven met cijfers. De basmelodie wordt gespeeld door de linkerhand op clavecimbel/orgel of door gamba/cello/fagot, terwijl op basis van de cijfers het toetsinstrument in akkoorden meespeelt. Vandaar ook de term becijferde bas naast basso continuo.
Door de cijfers wordt o.a. aangegeven welke toon in de bas moet worden gespeeld: dat kan ook de terts of de kwint van het akkoord zijn.

Tijdperk van de Verlichting en het Rationalisme
Voorkeur voor symmetrische vormen. Het klassieke symfonieorkest bestaat uit een strijkorkest, aangevuld met blaasinstrumenten (fluit, klarinet, hobo, fagot, trompet, trombone, hoorn) en pauken. Een voorloper van het klassieke symfonieorkest is het orkest van de Mannheimers uit de eerste helft van de 18de eeuw. Daarin was het clavecimbel uit het barokorkest vervangen door enige hoorns (voor vulnoten), de klarinet was toegevoegd aan de blaasinstrumenten, de strijkersgroep was versterkt en de dirigent stond voor het orkest. Een nieuw instrument is de piano. Het strijkkwartet is hét kamermuziekensemble van de klassieke periode en bestaat uit eerste en tweede viool, altviool en cello. Aan het strijkkwartet worden vaak één of meer instrumenten toegevoegd: zo bestaat een hobokwintet uit een hobo en strijkkwartet. +++ foto rechts : opstelling van het orkest in de achttiende eeuw +++

De Romantiek
De alledaagse werkelijkheid van de negentiende eeuw wordt sterk bepaald door de industriële revolutie met als gevolg ingrijpende maatschappelijke veranderingen met name op sociaal-economisch gebied en een toenemende vervreemding van de natuur. Als reactie probeert de mens te ontsnappen aan die alledaagse werkelijkheid en zoekt men zijn toevlucht in de wereld van dromen, religie, fantasie, sprookjes, mythologie, occultisme, het buitenaardse, de idealisering van de natuur. Dit is met name in de litteratuur en de beeldende kunst te merken, maar ook in de muziek vinden we het een en ander terug in pogingen buitenmuzikale onderwerpen door muzikale middelen uit te beelden: programmamuziek.
Ook is zelfexpressie, het tot uitdrukking brengen van eigen stemmingen en emoties, een kenmerk van negentiende eeuwse kunst en muziek.De negentiende eeuw is een periode van internationale ontwikkelingen (handel, industrie, kolonialisme), maar er tegenover staat een sterker wordend nationaal bewustzijn van allerlei volkeren. Naast de politieke gevolgen leidt dat bewustzijn ook tot aandacht voor de 'eigen' (folkloristische) muziek en de verwerking ervan in composities.
De economische en politieke ontwikkelingen na de Franse Revolutie (1789) brengen steeds meer macht bij de gegoede burgerij. Met als gevolg,dat de salon van de rijke burger een trefpunt wordt voor professionele muziekbeoefening naast concertzalen, operatheaters en kerken.Wat de amateuristische muziekbeoefening betreft is er sprake van een uitgebreid netwerk voor huismuziek (vocaal en instrumentaal).
Deze eeuw wordt in de kunst- en cultuurgeschiedenis de periode van de Romantiek genoemd. In het eerste deel van de negentiende eeuw wordt de muziek vooral beïnvloed door de Duitse Romantiek in de literatuur. Wenen is (nog steeds) het culturele centrum.
Na de juni-revolutie van 1830 wordt de Romantiek steeds meer een Europese beweging met Parijs als centrum. Na de 1848-revolutie is er sprake van een verder toenemende internationalisering van het muziekleven. Aan het einde van de 19de eeuw, men spreekt wel van “late Romantiek”, zien we dat de muzikale taal van de Romantiek tot het uiterste wordt doorgevoerd, maar ook dat wordt teruggegrepen op vormen uit vorige periodes.
Tegenover een romantisch vluchten uit de werkelijkheid, staat het vorm willen geven aan de werkelijkheid (romantiek tegenover realisme).

De twintigste eeuw
De 20e eeuw is de periode van nieuwe muziek, moderne muziek, hedendaagse muziek, avant-garde, experimentele muziek. In alle soorten en genres worden musici ertoe gedreven, voortdurend iets nieuws te doen. In de 20e eeuw heeft zich niet één, duidelijk af te bakenen muzikale stijl ontwikkeld, maar een heel conglomeraat van stijlen en technieken. Het individualisme en de diversiteit die in de romantische periode al aanwezig was, wordt in de 20e eeuw alleen maar groter.
Kenmerkend is stijlpluralisme: naast alle Westerse muziek uit heden en verleden, hebben we ook de beschikking over muziek uit de rest van de wereld (exotische muziek, wereldmuziek, volksmuziek enz).
In woord en geschrift, via de CD en andere geluid- en beelddragers is al deze muziek beschikbaar om beluisterd en bestudeerd te worden. Veel muziek valt niet in te delen in bestaande categorieën en genres: Componisten kunnen op eclectische wijze van elementen uit alle mogelijke muziek, gebruik maken, het aantal varianten is onbeperkt. Impressionisme, expressionisme, neo-classicisme, electronische muziek, musique concrète en minimal music zijn stromingen in de Westerse gecomponeerde (kunst) muziek, maar impressionistische en expressionistische tendenzen, neo-classisistische technieken, minimal music zijn ook te vinden in de muziek van de negentiger jaren, zowel in de gecomponeerde kunstmuziek, als in de jazz-, pop- en wereldmuziek.
Elektronische geluidsopwekking was in de jaren vijftig een experimenteel gebeuren, maar in de hedendaagse muziek is het niet meer weg te denken.
 

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009