header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Giovanni da
Palestrina

 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 



Palestrina, Giovanni Pierluigi da

(Palestrina 1525 - Rome 1594)

Italiaans componist. Palestrina, wiens familienaam Pierluigi was, maar die zich noemde naar zijn geboorteplaats, zong als knaap in een koor van de Santa Maria Maggiore te Rome. Van 1544 tot 1551 was hij organist en zanger in de kathedraal van zijn geboorteplaats, waarna hij terugkeerde naar Rome om daar in 1551 Arcadelt als koorleider van de Cappella Giulia van de Sint-Pieter op te volgen. In 1554 werd hij tot cantor van de Sixtijnse kapel benoemd. In 1555 volgde hij Orlando di Lasso op als koorleider van de San Giovanni in Laterano. Van 1561 tot 1566 was hij koorleider van de Santa Maria Maggiore en als zodanig trad hij in die jaren ook op aan het hof van kardinaal Ippolito d'Este in Rome en Tivoli. Na de Santa Maria Maggiore was hij verbonden aan een Romeins seminarium tot 1571, toen hij benoemd werd tot `maestro compositore' van de Sint-Pieter, een functie die hij tot aan zijn dood uitoefende.

Werken
 

Palestrina's oeuvre is van groot belang in de geschiedenis van de kerkmuziek. Zijn stijl werd door het concilie van Trente (1545-1563) erkend als de enige ware vorm van meerstemmige kerkmuziek. Anekdotisch is dat Palestrina zijn Missa Papae Marcelli voor het concilie schreef om aan te tonen dat meerstemmigheid in de kerkmuziek niet ten koste van de verstaanbaarheid van de mistekst hoefde te gaan.

Palestrina's techniek en vormconceptie stoelt op die van de Nederlandse Scholen. Evenals de vertegenwoordigers daarvan was hij een meester van de imitatietechniek en van kunstige canons (o.m. een vierstemmige Missa ad fugam , die geheel als canon geschreven is). Vergeleken met bijvoorbeeld zijn leeftijdgenoot Orlando di Lasso is zijn muziek conservatiever. Dat blijkt uit zijn beredeneerde behandeling van dissonanten en uit het diatonische karakter van zijn melodieŽn. Dit heeft ook te maken met het feit dat hij het grootste deel van zijn kerkelijk oeuvre op het gregoriaans baseerde (geen componist is ooit zo sterk met kerkelijk Rome verbonden geweest). Vele van zijn missen gebruiken als cantus firmus (hoofdstem ontleend aan bestaande melodie) gregoriaanse gezangen. Maar hij schreef ook parodiemissen, uitgaande van motetten van hemzelf en van andere componisten, en ook missen met een wereldlijke cantus firmus, die hij echter zo verwerkte dat het wereldlijke karakter niet meer herkend werd. Missen van deze laatste soort werden als `missae sine nomine' gepubliceerd.

Palestrina paste alle middelen der polyfonie uit de Renaissance toe en verwerkte deze tot een klassieke eenheid. Hij verrijkte de onbegeleide koorzang tot een hoogtepunt van a capella-stijl en beheerste ook de meerkorigheid (bijv. in het Stabat Mater). Karakteristiek is de uiterste zorg voor schoonheid van harmonie en toon, die bereikt werd door strikte regels voor het gebruik van consonanten en dissonanten. Terts en sext hebben al vaak een harmonische functie. De buitenste stemmen lopen vaak in parallelle decimen. De tamelijk vastliggende akkoordverbindingen verlenen een heldere opbouw aan zijn werken, waarvan de onderdelen met een cadens worden afgesloten. Het vermijden van chromatiek - veelvuldig toegepast door tijdgenoten - geeft zijn werk een plechtige, mystieke waardigheid. Gecompliceerde ritmische structuren worden vermeden dankzij de voorkeur voor syllabische melodieŽn.

Deze karakteristieken maakten dat deze stijl, de zgn. Palestrina-stijl, de volgende eeuwen als ideaalbeeld van polyfone a capella-muziek gezien werd (de enige vorm van polyfonie die in de Sixtijnse kapel toegelaten werd) en als uitgangspunt diende voor een herleving van de onbegeleide koormuziek rond 1900.

In vergelijking tot zijn tijdgenoten, die in hun muziek steeds sterker de tekst trachtten te illustreren (door woord- en sfeerschildering), schreef Palestrina in een meer afstandelijke stijl. Dat verklaart min of meer dat hij ruim honderd (vnl. vier- en vijfstemmige) missen schreef (waarvan de tekst geen speciale aanleiding tot toonschildering geeft) tegen ca. tweehonderd vijftig motetten. (Ter vergelijking: Orlando di Lasso schreef ongeveer vijftig missen en meer dan twaalfhonderd motetten.) Palestrina schreef ook madrigalen - twee bundels wereldlijke en twee bundels geestelijke - in een voor die tijd behoudende stijl, die doorwerkte in zijn toonzettingen van teksten van het Hooglied. Verder schreef hij offertoria, litanieŽn, Magnificats, psalmen en improperia. Deze laatste worden nog steeds elk jaar op Witte Donderdag in de Sixtijnse kapel uitgevoerd.

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009