header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Giuseppe Verdi
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 

 

Verdi, Giuseppe (Fortunino Francesco)

(Le Roncole, bij Busseto, Parma 1813 - Milaan 1901)

Italiaans componist. Verdi beheerste van 1839 tot 1893 de Italiaanse opera; andere componisten stonden geheel in zijn schaduw. Hij gaf richting aan het zich doelloos herhalende muziektheater en wist het progressief te houden zonder het publiek af te stoten. Hij ging niet uit van vastgestelde schema's; vorm en muziek werden vanuit de handeling en spanning van het gegeven ontworpen. Hij pionierde met de expressiemogelijkheden van de stem en ontwikkelde stap voor stap het psychologisch muziekdrama, waarin de 20e eeuw zich aankondigt.

In het gezin waarin Verdi opgroeide, speelde cultuur geen enkele rol. Verdi maakte muziek met de dorpsorganist, die hij al op zijn tiende jaar kon vervangen. Tijdens zijn gymnasiumtijd in het naburige Busseto werd hij de protégé van de koopman Barezzi, een welvarende muziekliefhebber. Vanaf 1825 dirigeerde hij in Busseto een kerkkoor en de harmonie, en schreef hij koormuziek, marsen en symfonieën, die hij zelf leidde. Barezzi liet hem in 1832 naar het conservatorium van Milaan gaan, dat hem echter niet aannam, omdat hij geen buitengewone talenten toonde, vier jaar ouder was dan het reglement voor een beginneling voorschreef, het conservatorium overvol was en hij een buitenlander was (Italië vormde nog geen eenheid). Dankzij financiële steun van Barezzi kon hij drie jaar lang privéles nemen. In die tijd maakte hij naam als dirigent. Barezzi wilde hem uiteraard graag aan Busseto binden; toen daar in 1834 de post van stedelijk muziekdirecteur vrijkwam, ging Verdi hier pas na lange aarzeling in 1836 op in. In hetzelfde jaar trouwde hij met Barezzi's dochter, die vier jaar later overleed.

Hij had echter in Busseto te veel te doen om te kunnen componeren en nam in 1839 ontslag om voor de Scala van Milaan een opera te schrijven. Het succes van Oberto, conte di San Bonifazio (november 1839) bracht een contract voor drie andere opera's. Zijn tweede, de komische opera Un giorno di regno (september 1840), werd zo'n fiasco dat Verdi op eigen verzoek van zijn contract werd ontheven. Zonder enige verplichting begon hij aan Nabucco , die in maart 1842 een doorslaggevend succes werd. Toen nam Verdi zoveel mogelijk opdrachten aan, om zijn schoonvader af te betalen en een landgoed te kunnen kopen. Naast het componeren werkte hij graag op het land en beheerde hij landerijen. Hij was een fanatiek patriot, die in de jaren van de Italiaanse eenheidsstrijd de opera als een goed middel zag om het gevoel van het publiek met patriottische ideeën te bespelen. I Lombardi alle prima crociata (maart 1843, Milaan) en Ernani (maart 1844, Venetië) bezorgden hem de bijnamen `vader van de operakoren' en `componist van de Italiaanse Revolutie'. Hierna volgden: I due Foscari (november 1844, Rome), Giovanni d'Arco (februari 1845, Milaan), Alzira (augustus 1845, Napels), Attila (maart 1846, Venetië) en Macbeth (maart 1847, Florence). Opdrachten uit Madrid, Sint-Petersburg en Londen - tien opera's - wees hij af; voor Londen maakte hij alleen I masnadieri , die hij er zelf ging instuderen (juli 1847). Op de terugreis bleef hij lang in Parijs, waar hij Giuseppina Strepponi ontmoette, die al in 1843 in Nabucco had meegezongen. Zij werd zijn tweede vrouw. In Parijs schreef hij Il corsaro (oktober 1848, Triëst) en La battaglia di Legnano (januari 1849, Rome) Zolang zijn villa op het landgoed Sant Agata niet klaar was, woonde hij met Strepponi in Busseto, waar Luisa Miller (december 1849, Napels) en Stiffelio (september 1850, Triëst) ontstonden. Daarna werkte hij vrijwel gelijktijdig aan drie dramatisch totaal verschillende opera's: Rigoletto (maart 1851, Venetië), Il trovatore (januari 1853, Rome) en La traviata (naar La dame aux camélias van Dumas; maart 1853, Venetië). Deze laatste werd pas in de tweede versie een succes.

Na Les vêpres siciliennes (juni 1855, Parijs) gunde hij zich steeds meer tijd voor elke volgende opera. Hij wilde meer aandacht besteden aan zijn hobby's: landbeheer en jagen; bovendien eisten de dramatisch steeds ingewikkelder onderwerpen een langer rijpingsproces. Simone Boccanegra (maart 1857, Venetië) en Un ballo in maschera (februari 1859, Rome) stuitten op onbegrip; Verdi was er zelf ook niet gelukkig mee. Rond 1880 herschreef hij ze. De politicus Cavour probeerde hem in 1861 over te halen om parlementariër te worden, maar die baan wees hij af toen uit Sint-Petersburg het verzoek voor een opera kwam. Hij ging er naar toe en schreef en ensceneerde La forza del destino (november 1862). Vanaf 1865 werkte hij voor Parijs aan Don Carlos (maart 1867), die hij jaren later eveneens zou bewerken. Hoewel hij tegen gelegenheidswerken was, schreef hij, tegen een exorbitant honorarium, Aïda (december 1871, Caïro) ter gelegenheid van de opening van het Suezkanaal. Hij dacht dat het zijn laatste opera zou zijn. In de Duits-Franse Oorlog koos hij partij voor de Fransen, vooral om openlijk stelling te nemen tegen de toenemende invloed van Wagners muziek in Italië, hoezeer hij de vakman Wagner ook respecteerde. In 1873 schreef hij `om de tijd te doden' het strijkkwartet, en de dood van zijn afgod, de schrijver Manzoni, inspireerde hem tot de Messa da requiem (mei 1874, Milaan), waarvan hij het Libera me al in 1868 bij de dood van Rossini had gemaakt.

Langzaam begon hij zich terug te trekken uit het openbare leven en het kostte de uitgever Ricordi veel moeite om hem nog aan het componeren te krijgen. Vanaf 1879 rijpte in een samenwerking met de dichter-componist Arrigo Boito heel langzaam Otello (februari 1887, Milaan). En het is aan Boito's overredingskracht en dichtkunst te danken geweest dat Verdi ten slotte nog diens libretto Falstaff op muziek zette, een minutieus werk van vier jaar (februari 1893, Milaan). In 1897 ontving Ricordi onverwacht de Quattro pezzi sacri : een Ave Maria , de Laudi alla Vergine , het Stabat Mater en het Te Deum. Vier jaar later stierf Verdi.

Verdi heeft altijd modern theater gemaakt, dat inhaakte bij vooruitstrevende ideeën. Hij hield in zijn opera's van mensen en menselijke relaties, in tegenstelling tot Wagner, die het bovenmenselijke benadrukte. Zijn bezwaar tegen het gangbare repertoire gold het onwerkelijke, het gebrek aan contact met politieke of menselijke realiteit. Om dat weg te werken, doorbrak hij taboes: de vormclichés van zijn voorgangers en tijdgenoten; de terreur van de zangers, die de componisten voorschreven wat ze moesten maken; de gewoonte van het publiek om tijdens de voorstelling te lopen, te praten en te dineren met de muziek als achtergrond. Hij negeerde dat alles en zette het muziektheater naar zijn hand. Hij won het publiek met zijn meeslepende muziek, maar vooral met onderwerpen die het patriottisme bespeelden en onafhankelijkheid en nationale eenheid propageerden. Met het publiek op zijn hand, kon hij moeilijker gegevens kiezen, die vooral het menselijk falen centraal stelden. Bij Schiller, Dumas en Hugo koos hij situaties en karakters die taboe waren, althans op sterke weerstand stuitten, omdat ze lelijk, onvolmaakt, misdadig of immoreel waren (o.a. Luisa Miller, Rigoletto, La traviata, Simone Boccanegra, Don Carlos). De kracht van zijn werk schuilt in een feilloze kijk op de psychologische relaties tussen de personen van de handeling. Daarin is hij de gelijke van Mozart en Monteverdi. Zijn ideaal was de handeling van het drama tot leven te brengen door de drijfveer achter de menselijke daden bloot te leggen. Daarom heeft hij zijn leven lang Shakespeare gelezen en geanalyseerd; en hoewel zijn regelmatige pogingen om van King Lear een opera te maken, op niets uitliepen, heeft Verdi zijn ideaal gerealiseerd in drie muziekdrama's, Macbeth, Otello en Falstaff , die Shakespeares psychologische drama's evenaren.

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement