header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Harmonieleer

 

 
   



 

 

 

harmonieleer : de leer van de samenhang en verbinding van de akkoorden, ter onderscheiding van de akkoordenleer, die zich bezighoudt met de opbouw van de akkoorden.

Men kan in de geschiedenis van de meerstemmige muziek drie perioden onderscheiden.
De eerste periode (ca. 1000–1600) wordt gekenmerkt door een zgn. richtingsloze harmoniek en het gebruik van
kerktoonsoorten.
In de tweede periode (ca. 1600–1900) ontstond een functionele, gerichte harmoniek, vooral door toedoen van Jean Philippe Rameau (1683–1764), die dan ook als vader van de klassieke harmonieleer (zie hierna) wordt beschouwd. Rameau schreef een Traité de l’harmonie réduite à ses principes naturels (1722) en een Génération harmonique (1737), die de grondslag vormen van de akkoordenleer (hij hield zich vooral bezig met omkeringen: de akkoorden c–e–g, e–g–c en g–c–e hebben een zelfde ‘basse fondamentale’, nl. C) en de leer der drie harmonische functies. Terwijl ten tijde van de klassieken voornamelijk de drie harmonische functies gebruikt werden en de modulatie [muziek] beperkt bleef tot de overgangszinnen en doorwerkingen, is in de laat-romantische muziek een vrijwel voortdurende modulatie te constateren en een zo veelvuldig gebruik van gealtereerde akkoorden en schijnakkoorden, dat de tonale structuur steeds meer ging vervagen en ieder akkoord met ieder ander akkoord verbonden kon worden.
De derde periode omvat de 20ste-eeuwse ontwikkelingen. In de eerste helft van deze eeuw werd aan alle oude wetten van de harmonie getornd: in plaats van de tertsenbouw van een akkoord werden andere bouwmanieren beproefd. Nieuwe harmonische effecten ontstonden door het gebruik van nieuwe tonaliteiten.

Klassieke harmonieleer. Het materiaal wordt gevormd door akkoorden die volgens de klassieke akkoordenleer voldoen aan de wet van de tertsenbouw, dwz. dat drie-, vier- en vijfklanken ontstaan door opeenstapeling van respectievelijk twee, drie en vier tertsen. Als uitgangspunt voor de opbouw van akkoorden dienen de verschillende trappen van de grote- en kleine-tertstoonladders. Een drieklank hoeft niet altijd uit drie tonen te bestaan, een tweeklank kan in bepaalde gevallen ook als onvolledige drieklank optreden. Zo kan bijv. de samenklank c–e de drieklank c–e–g (onvolledig) voorstellen, maar evengoed de drieklank a–c–e. Op gelijke wijze kunnen drieklanken onvolledige vierklanken, vierklanken onvolledige vijfklanken zijn, enz. De vierklanken worden ook wel septiemakkoorden genoemd, omdat de afstand van de grondtoon (bij een akkoord in grondligging) tot de bovenste toon een septiem is, de vijfklanken none-akkoorden, de zesklanken undeciemakkoorden, enz. In het notenvoorbeeld wordt in de akkoorden uitsluitend gebruik gemaakt van tonen uit de toonladders van C en a. Dergelijke akkoorden noemt men laddereigen. Indien alteraties worden toegepast, heten zij gealtereerd. Naast gealtereerde tonen komen ook de zgn. versierende tonen voor (al of niet chromatisch), die de eigenlijke akkoordtonen omspelen; uit het samentreffen van verschillende van zulke tonen kunnen (onzelfstandige) ornamentale akkoorden ontstaan. Verder onderscheidt de klassieke akkoordenleer consonerende en dissonerende akkoorden

De eigenlijke harmonieleer houdt zich bezig met de verbinding van de akkoorden en alles wat daarmee samenhangt. In de zgn. klassieke harmonieleer gelden ten aanzien van deze verbinding bepaalde regels, die gebaseerd zijn op de wet der (drie) harmonische functies, waarvan vooral de drieklanken op de eerste (I), vierde (IV) en vijfde (V) toontrap de basis zijn. Punt van uitgang en terugkeer in een tonaal muziekstuk is I en wordt tonica-akkoord genoemd (bijv. de majeurdrieklank c–e–g of de mineurdrieklank a–c–e). Naast het tonica-akkoord treden, in volgorde van belangrijkheid, het zgn. dominantakkoord (in dezelfde voorbeelden resp. de drieklanken g–b–d en e–gis–b) en subdominantakkoord op (resp. f–a–c en d–f–a), die zich dus op de vijfde (D) en vierde (S) trap van de toonladder bevinden. Deze drieklanken I, V en IV noemt men de hoofddrieklanken. De subdominant heeft de functie, de harmonische stroom van de tonica weg te voeren; de dominant heeft, mede door het leidtoonkarakter van haar terts (zevende toon van de toonladder), daarentegen de sterke neiging tot terugkeer naar de tonica. De meest zinvolle verbinding van deze drie functies is dan ook de volgorde I (tonica-akkoord), IV (subdominantakkoord), V (dominantakkoord), I (tonica-akkoord). De drieklanken op de overige toontrappen (dus IIde, IIIde, VIde, en VIIde) worden naar klassieke opvatting geïnterpreteerd als plaatsvervangers (remplaçanten) van de hoofdakkoorden. Indien in een compositie van de ene toonsoort naar de andere wordt gemoduleerd treedt binnen het kader van de nieuwe toonsoort opnieuw de hiërarchie der drie harmonische functies op. De meervoudige betekenis van de akkoorden maakt zulk een modulatie mogelijk. In de notenvoorbeelden kan men zien, dat bijv. de drieklank d–f–a voorkomt op de tweede trap van de toonladder van C en op de vierde trap van de toonladder van a. Deze constellatie maakt het mogelijk, op directe wijze een modulatie van C naar a tot stand te brengen. Evenwel, niet altijd is een overgang van de ene toonsoort naar de andere zo gemakkelijk uitvoerbaar; modulatie is dan ook een van de belangrijkste en moeilijkste onderdelen van de harmonieleer. Verder houdt de harmonieleer zich o.m. bezig met de samenhang tussen de harmonie en andere belangrijke componenten van de muziek: melodie, ritme, zinsstructuur, en dergelijke.
 

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009