header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Heinrich Schütz
 

 
   




Schütz, Heinrich

(Köstritz, bij Gera, 1585 - Dresden 1672)

Duits componist. Schütz werd in 1609 door een stipendium in staat gesteld te gaan studeren bij de grote Venetiaan Giovanni Gabrieli, die hem inwijdde in de geheimen van de meerkorige stijl. De kennismaking met de madrigaalstijl van met name Gesualdo vond haar neerslag in de bundel vijfstemmige madrigalen uit 1611; het consequente gebruik van contrasterende motieven, de gewaagde behandeling van dissonanten en het streven naar een realistisch uitbeelden van de tekst werden fundamentele elementen in Schütz' muzikale idioom. De leertijd in Venetië werd afgebroken door Gabrieli's dood in 1612.

In 1613 werd Schütz benoemd tot hoforganist in Kassel, een functie die hij in 1617 verruilde voor die van kapelmeester aan het hof van de keurvorst in Dresden. Gabrieli's `concertato'-stijl werd voor het eerst toegepast in de Psalmen Davids (1619), werken voor twee, drie en vier koren, waarin Schütz onderscheid maakte tussen `cord favoriti' (vocale en instrumentale solo-ensembles) en `cappella', het tutti. Een of twee orgels fungeren als continuo-instrumenten. In het voorwoord merkt Schütz op dat de psalmen in `stilo recitativo' gecomponeerd zijn; hieronder verstaat hij niet de latere monodische stijl, maar een declamatorische stijl, in overeenstemming met het spraakritme van de retorica; lange noten worden gebruikt om woorden te accentueren, melismen komen voor bij hevige gemoedsaandoeningen en klankschilderingen versterken de eenheid tussen tekst en muziek.

De in 1623 gecomponeerde Historia der Auferstehung Jesu Christi is een vrije, gemoderniseerde bewerking van een gelijknamig werk over Christus' verrijzenis van één van Schütz' voorgangers als kapelmeester in Dresden, de Italiaan Antonio Scandello; hierin houden de recitatieven van de evangelist het midden tussen de gregoriaanse lectietoon en het recitatief uit de opera en zijn de partijen van de overige personen meerstemmig gezet, zoals in het motet. In 1625, het jaar waarin Schütz werd getroffen door het verlies van zijn vrouw, dochtertje en schoonzuster, verschenen op Latijnse tekst de Cantiones sacrae , waarin de componist zijn leed uitzingt; Gabrieli's meerkorige stijl en Gesualdo's dissonantenbehandeling zijn in deze motetten tot een indrukwekkende synthese versmolten.

Schütz' kunnen als operacomponist blijft voor ons verborgen door het verloren gaan van de in 1627 gecomponeerde opera Dafne. De opvoering van deze opera ging vooraf aan een hernieuwde kennismaking met Venetië (1628-1629), waar Monteverdi Schütz vertrouwd maakte met de `stile rappresentativo', de monodie, waarin alle muzikale uitdrukkingskracht is samengetrokken in één stem, begeleid door een akkoordinstrument.

Schütz werkte zijn nieuwe muzikale ervaringen uit in de Symphoniae sacrae (3 dln., gedrukt in resp. 1629, 1647 en 1650). Door de onderbreking van de koren met gedeelten voor een of meer solisten ontstond hier uit het motet de kerkcantate. Bekende stukken eruit zijn de klacht van David fili mi, Absalon voor bas solo en vier trombones in het eerste deel en het zestienstemmige Saul, was verfolgst du mich uit het derde deel. Opvallende tendensen in de Symphoniae sacrae zijn het streven naar grotere zelfstandigheid van de stemmen, een voorzichtiger behandeling van dissonanten en het hanteren van de `stile concitato' (geëxalteerde, zeer expressieve vorm van de `stile rappresentativo', toegepast op momenten van sterke emotie) in het tweede en derde deel.

Door het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) waren de omstandigheden aan het Dresdener hof aanzienlijk verslechterd. Schütz vroeg herhaalde malen om ontheffing van zijn verplichtingen, echter tevergeefs; omstreeks 1650 betuigde hij zijn spijt dat hij ooit musicus was geworden. Enig soelaas brachten de jaren waarin hij aan het Deense hof in Kopenhagen verbleef (1633-1635, 1636-1638 en 1642-1644).

De Kleine geistliche Konzerte (1636-1639) leggen getuigenis af van de benarde jaren in Dresden door het ontbreken van koorgedeelten en andere instrumenten dan die voor het basso continuo bestemd zijn. Een versoberingsproces, mede gevoed door godsdienstige bezinning, begon en leidde tot een verstrakking van het contrapunt. Evenals in de naar aanleiding van een begrafenis geschreven Musikalische Exequien (1636), werden incidenteel lutherse koralen geciteerd. De conservatieve tendens zette zich voort in de Geistliche Chormusik (1648), gecomponeerd voor liturgisch gebruik. Schütz brak hierin een lans voor de oude a capella-stijl; de verworvenheden uit het verleden (contrasterende motieven en vrij intredende dissonanten) bleven echter behouden.

Omstreeks 1656 werd Schütz' positie in Dresden aanmerkelijk verbeterd. Hij werd van zijn verplichtingen als kapelmeester ontslagen en kon zich geheel aan het componeren wijden. Aan de vermoedelijk omstreeks 1645 gecomponeerde Sieben Worte Jesu Christi am Kreuze (Schütz' eerste echte oratorium, waarin de Christus-partij door een strijkersensemble wordt begeleid) werden toegevoegd: de Historia von der Geburt Gottes (Weihnachtsoratorium) uit 1664 en de geheel in a capella gecomponeerde Lucas, Johannes en Matthäus Passion (1666). De recitatieven, die in het Weihnachtsoratorium sterk aan het secco-recitatief van de opera doen denken, zijn in de passies geheel in neogregoriaanse stijl gecomponeerd en worden onderbroken door meerstemmige koren (turbae).

Schütz' zwanezang is een Deutsches Magnificat (1671), één van de vier Magnificat-bewerkingen die bewaard zijn gebleven. Zijn muzikale erfenis, die geen enkel puur instrumentaal werk bevat, geraakte na zijn dood spoedig in de vergetelheid. Nieuwe belangstelling werd gewekt toen Johannes Brahms de Saul-episode uit Symphoniae sacrae in 1864 uitvoerde en in 1885 een begin gemaakt werd met de uitgave van de verzamelde werken.

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement