header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Johannes Brahms

 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment




 

 

 

 

 

 

 

 

Brahms, Johannes

(Hamburg 1833 - Wenen 1897)

Duits componist. Gedurende de bloeiperiode van de hoog-Romantiek stelde Brahms zich bewust op als traditiegebonden componist. Aansluitend bij de symfonieën van Beethoven, de polyfonie van Bach en de koorstijl van de barok, bereikte hij een samengaan van de grote klassieke vormen en een met romantische stijlmiddelen tot uitdrukking gebrachte, overwegend lyrische `inhoud', die als typisch Noord-Duits geldt. Brahms' ambachtelijke opvatting van zijn kunstenaarschap en het onliteraire karakter van zijn muziek brachten hem in conflict met tijdgenoten als Liszt en Wagner.

Leven

Johannes Brahms, zoon van een muzikant van eenvoudige afkomst, moest in zijn jeugd, evenals zijn vader, zijn brood verdienen met het spelen en arrangeren van dansmuziek. Wel ontving hij een gedegen opleiding bij E. Marxsen; als tienjarige begon hij als concertpianist op te treden. In 1853 maakte hij als begeleider van de violist Reményi zijn eerste concertreis. In Hannover ontmoette hij de violist Joseph Joachim, die hem bij Liszt introduceerde. In Düsseldorf bezocht hij Robert en Clara Schumann, die zeer geestdriftig op zijn eerste pianocomposities reageerden. Tot Schumanns dood (1856) verbleef Brahms, die een diepe genegenheid voor Clara koesterde, hoofdzakelijk in Düsseldorf; daarna was hij o.a. als dirigent en componist met toenemend succes werkzaam in Detmold, Hamburg en Wenen, de stad die hij in 1862 tot vaste woonplaats koos. In 1853 had een geruchtmakend artikel van Schumann voor het eerst de aandacht op de jonge componist gevestigd; nu vond hij in de muziekcriticus Ed. Hanslick, de dirigent Hans von Bülow en zijn vriend Joachim zijn trouwste partijgenoten in de in 1860 openlijk ontbrande strijd met het kamp Wagner-Liszt, waarin Brahms zichzelf tot een `traditionalist' had bestempeld.

In Wenen kreeg hij ook de zozeer begeerde vaste aanstelling als dirigent die hem in Hamburg tot tweemaal toe ontging. Gedurende het seizoen 1863-1864 leidde hij de Wiener Singakademie, van 1872 tot 1875 de concerten van de Wiener Gesellschaft der Musikfreunde; daarna wenste hij zich niet meer te binden, hetgeen hem in financieel opzicht mogelijk werd gemaakt door de hoge honoraria van zijn uitgever Simrock en de opbrengsten van zijn vele concertreizen.

Tot in 1876 bleef Brahms' oeuvre hoofdzakelijk beperkt tot kamermuziek en vocale werken; in dat jaar voltooide hij, ruim veertig jaar oud, zijn eerste symfonie. Zijn overige symfonische werken, waartoe ook zijn concerten gerekend worden, ontstonden in een periode van twaalf jaar, meestal tijdens de zomermaanden, die hij o.a. in Kärnten, Salzkammergut en Zwitserland doorbracht. Als uitvoerend kunstenaar beperkte hij zich steeds meer tot het dirigeren van eigen werk. Na de dood van Wagner (1883) gold hij voor velen als de belangrijkste Duitse componist. De universiteiten van Breslau en Oxford verleenden hem eredoctoraten; in 1889 werd hij benoemd tot ereburger van Hamburg, in 1896 tot lid van de Académie Française.

Na de voltooiing van zijn symfonisch oeuvre wendde Brahms zich opnieuw tot de kamermuziek en het lied. Tijdens een periode van verminderde scheppingskracht werkte hij veel vroegere schetsen uit tot korte pianocomposities. In 1896 ontstonden, vlak voor Clara Schumanns dood, de Vier Ernste Gesänge op. 121. De elf koraalvoorspelen op. 122 vormen zijn laatste werk. Van zijn vele brieven aan vrienden en collega's is een groot deel uitgegeven, o.a. door de Deutsche Brahms Gesellschaft (16 dln., Berlijn 1907-1922). Zijn persoonlijke vriend Max Kalbeck schreef een eerste, omvangrijke biografie (8 dln., Berlijn 1904-1914).

Werken

De meeste componisten der hoog-Romantiek achtten Beethovens symfonieën het hoogst bereikbare. Anders dan Wagner of Berlioz beschouwde Brahms, die zijn eigen muziek nooit heeft willen belasten met een literaire inhoud en die zelfs in zijn liederen het melodische element liet prevaleren boven het dramatische, Beethovens symfonieën vooral als monumenten van vormbeheersing, van ambachtelijk meesterschap over het zuiver muzikale materiaal. Zijn eigen oeuvre wordt dan ook gekenmerkt door het met strenge zelfkritiek nastreven van dit meesterschap, een streven dat duidelijk naar voren treedt in zijn vele contrapunt-, variatie- en instrumentatiestudies. Brahms greep hierbij steeds verder terug in de muziekgeschiedenis: de polyfonie van Bach, de koorwerken der barok en zelfs de kerktoonsoorten hebben zijn werk beïnvloed, bijvoorbeeld in zijn gebruik van de passacaglia-vorm (variaties op een zelfde basthema; o.a. vierde symfonie en Haydn-variaties) en de vocale stijl van zijn a capella-koorwerken, die tot in Ein deutsches Requiem doorwerkt.

Deze stijlelementen wist Brahms op gelukkige wijze te combineren met de harmonische en melodische middelen der Romantiek, waaraan hij een sterk persoonlijke ritmiek toevoegde, gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van syncopen en afwisseling of gelijktijdig optreden van twee- en driedelige metra. De sfeer van rustige, soms ruige kracht en bezonken melancholie die zijn meeste werken karakteriseert, wordt als typisch Noord-Duits beschouwd.

Brahms voelde zich pas opvallend laat opgewassen tegen het symfonische genre. Zijn vroegste werken schreef hij voor zijn eigen instrument, o.a. de pianosonates op. 1, 2 en 5. Het eerste pianoconcert, voltooid in 1858, was oorspronkelijk een sonate voor twee piano's. Zelfs de Haydn-variaties voor orkest (1873) ontstonden gelijktijdig met een versie voor twee piano's. De twee serenades uit 1858-1860 vormen zijn eerste eigenlijke orkestwerken; uit dezelfde tijd dateren de schetsen voor zijn eerste symfonie, die hij pas in 1876 voltooide. Daarna volgden veel sneller de drie overige symfonieën (1877, 1883, 1884-1885), het tweede pianoconcert (1878-1881), het vioolconcert (1878), het concert voor viool, cello en orkest (1887), de Akademische Festouvertüre (1880) en de Tragische Ouvertüre (1880).

Hiertegenover staat een groot aantal, qua bezetting zeer verschillende kamermuziekwerken: 3 vioolsonates, 2 cellosonates, 2 klarinetsonates, 3 pianotrio's, 1 hoorntrio, 1 klarinettrio, 3 strijkkwartetten, 3 pianokwartetten, 2 strijkkwintetten, een klarinet- en een pianokwintet en 2 strijksextetten; verder voor piano o.a. 3 sonates, 5 ballades, 3 rapsodieën, variatiewerken (onder meer Händel-variaties en Paganini-variaties) , intermezzi, capriccio's, enz.

In zijn vocale oeuvre toont Brahms zich vooral de meester van het strofelied, dat bij hem het volkslied benadert; ook uit zijn tekstkeuze blijkt vaak zijn romantisch gekleurde voorliefde voor het volkslied. Daarnaast schreef hij talloze composities voor uiteenlopende vocale bezettingen, a capella (vaak op teksten uit de Bijbel, waarmee Brahms zeer vertrouwd was), met pianobegeleiding (o.a. Liebesliederwalzer) of met orkest (o.a. Schicksalslied, Triumphlied, Nänie, Gesang der Parzen). Hoogtepunten vormen hier de Altrapsodie en Ein deutsches Requiem.
 

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009