header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Luciano Berio

 

 
   



 

 


 

 

Berio, Luciano

(geb. Oneglia 1925)

Italiaans componist en dirigent. Berio is een van de leidende figuren van het naoorlogse Europese muziekleven, en een vooraanstaand promotor van elektronische muziek. Zijn oeuvre bestaat behalve uit elektronische composities, uit vocale werken en werken voor traditionele instrumenten, waarbij hij experimentele technieken niet schuwt. Het spelen met de verschillen en overeenkomsten van de klankstructuren tussen taal en muziek is kenmerkend voor zijn werk.

Berio begon zijn muzikale studies op jonge leeftijd bij zijn vader. Vervolgens studeerde hij in Milaan bij o.a. Giorgio Ghedini en in Tanglewood (VS) korte tijd bij Luigi Dallapiccola. Van 1953 tot 1961 leidde hij, aanvankelijk samen met Bruno Maderna, de Studio di Fonologia van de Italiaanse omroep in Milaan. Hij was medewerker van het muziekcentrum Incontri Musicali en het gelijknamige tijdschrift. Van 1974 tot 1980 leidde hij het elektroakoestische departement van het IRCAM in Parijs, het instituut dat zich o.a. bezighoudt met de uitvoering van en het onderzoek naar elektronische en computermuziek.

Berio doceerde o.m. te New York, Berkshire en Oakland, en ontving eredoctoraten van zowel de City University van Londen als de universiteit van Sienna. Hij is gehuwd geweest met de zangeres Cathy Berberian, voor wie hij de Folksongs (1964) en Sequenza III (1966) schreef.

Zijn vroegste werken schreef Berio in een neoklassieke stijl. Onder invloed van zijn leraar Dallapiccola ging hij seriële muziek schrijven (Chamber music, 1952, Nones, 1954, Tempi concertati, 1958-1959). Intussen werkte hij in de studio aan zijn eerste elektronische composities, oorspronkelijk bedoeld om hoorspelen met geluidseffecten te omlijsten. Onder indruk van Stockhausens Gesang der Jünglinge produceerde hij er zijn klassiek geworden Tema - Omaggio a Joyce (1958). Eind jaren vijftig raakte het ruimtelijk componeren algemeen in zwang. Zo worden in Alleluia I en Alleluia II (1956-1958) meerdere ensembles verspreid over de ruimte opgesteld. Na de bloeitijd van het serialisme in de jaren vijftig, gaven componisten de uitvoerenden in toenemende mate meer vrijheid; een voorbeeld van deze werkwijze is Quaderni (1960-1965).

Berio's keuze van de teksten die hij toonzet, weerspiegelt zijn interesse voor het verband tussen taal en klank; zo inspireerde hij zich op schrijvers als Joyce (Tema), Beckett (Sinfonia), Cummings (Circles) en Sanguineti (Passaggio). Vooral de overgangstoestand tussen klanken van verschillende herkomst en structuur fascineert hem. In Différences (1958) is het elektronische materiaal bijvoorbeeld afgeleid uit het instrumentale, en in Circles wordt de klank bepaald door de tekst, nadat deze is ontleed. In Tema vindt zelfs onmerkbaar een overgang tussen verschillende talen plaats. Zinledige tekstflarden en muzikale citaten weet hij tot een organisch geheel te maken (Sinfonia, derde deel). Niet ten onrechte heeft men zijn werk gekarakteriseerd als de zoektocht naar een nieuw Gesamtkunstwerk. Zijn muzikaal en levensbeschouwelijk credo heeft Berio geformuleerd in het artikel Meditationen über ein Zwölfton-Pferd (1969).

Berio's belangrijkste werken zijn vocale composities en theaterwerken, zoals Circles (1960), Visage (1961), Passaggio (1963), Laborintus II (1965) en Sinfonia (1968-1969). Een categorie apart vormt de reeks Sequenze (vanaf 1958). Alle technische mogelijkheden worden in deze solowerken uitgebuit. Andere werken zijn o.a. Epifanie (1959-1961), Opera (1969-1970), Still (1973), Il ritorno degli Snovidenia (1977), Corale (1981), Formazioni (1987), Ofanim (1988), Festum (1989), Continuo (1991), Notturno (1994) en de reeks Chemins I (1965) t/m VII (1996), elk voor een solo-instrument met ensemble of orkest.

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009