header componisten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Muziek
Woordenboek A > Z

 

 
   

 

 


 

 


 

 

 

 

 

 


 


 
akkoord : (via Ital. accordo, v. Lat. chorda = snaar), samenklank van ten minste drie tonen van verschillende toonhoogte. Naar het aantal van deze tonen onderscheidt men drieklanken, vierklanken, vijfklanken, enz.; wanneer de verschillende tonen van het akkoord niet tegelijk, maar na elkaar ten gehore worden gebracht, spreekt men van een gebroken akkoord. In de klassieke ( ‘tonale’) muziek geschiedt de samenstelling van het akkoord volgens het principe van de tertsopbouw, zoals geformuleerd door Gioseffo Zarlino (Istitutioni harmoniche, 1558), en later door Jean Philippe Rameau (Traité de l’harmonie réduite à ses principes naturels, 1722; Génération harmonique, 1737). Sedert de tweede helft van de 19de eeuw werden er dikwijls zoveel tertsen op elkaar gestapeld dat de akkoorden hun oorspronkelijke tonale functie dreigden te verliezen (Richard Wagner, Johannes Brahms, Richard Strauss, Arnold Schönberg). Bovendien werden hierdoor de akkoordverbindingen zo complex, dat hun tonale samenhang eveneens onduidelijk werd. Rond het begin van de 20ste eeuw zocht men dan ook naar andere constituerende intervallen: de kwint (impressionisme) en de kwart (expressionisme). Nadat de tonale basis eenmaal was verlaten (Weense School, futurisme), konden in principe alle intervallen voor de opbouw van akkoorden worden gebruikt.

arabesk of arabeske,
a.
een versiering in de zin van omspeling van een thema of muzikale lijn,
b.
titel van een compositie die door eenvoud en ongebondenheid het karakter van een versiering heeft: bijv. Deux arabesques voor piano van Claude Debussy.

ballade :  in de middeleeuwen naam van een eenvoudig volkslied òf van een gecompliceerd kunstlied, zowel éénstemmig als meerstemmig (Guillaume de Machaut), al dan niet met instrumentale begeleiding, waarbij gedanst werd. In de 18de eeuw herleefde de ballade als verhalend lied. In de 19de eeuw werden er ook instrumentale ballades gecomponeerd (Brahms, Chopin; beiden voor piano).

bas : de laagste mannenstem, met een omvang ongeveer van C tot c1.

burleske : een stuk met grappige inslag, bijv. de Burleske voor piano en orkest (1885–1886) van Richard Strauss.

canon : compositie waarin meer stemmen na elkaar dezelfde melodie inzetten en ten dele gelijktijdig doen horen.

capriccio : in het begin van de 17de eeuw de titel voor een instrumentaal muziekstuk, dat bestaat uit een reeks fugatische bewerkingen (zie fuga) van een of meer thema's en van varianten daarvan, gescheiden door tussenspelen. Sinds de romantiek werd de titel, meest in de Franse schrijfwijze caprice, gebruikt voor stukken met een grillig karakter vol verrassende wendingen, bijv. bij Paganini, Brahms, Strawinsky e.a. In deze vorm is het capriccio sterk verwant met het scherzo.

consonant : (v. Lat. consonare = samenklinken), het samenklinken en versmelten van twee of meer tonen tot een graad van welluidendheid die niet naar een oplossing vraagt, in tegenstelling tot de dissonant.

couplet : in de vocale muziek de aanduiding van de verschillende onderdelen van het zgn. strofelied, waarbij elke tekststrofe op dezelfde melodie is gecomponeerd.

dominant : (v. Fr. dominante = grote kwint; lett.: overheersende), in de muziek van na ca. 1600 de kwint boven de grondtoon in de grote- en kleine-tertstoongeslachten. In de klassieke harmonieleer is de dominant het akkoord dat gebouwd is op de vijfde trap van de toonladders van deze geslachten. Is dit akkoord een drieklank, dan spreekt men van een dominantdrieklank; een vierklank op deze trap heet dominant septiemakkoord en een vijfklank dominant none-akkoord.

dynamiek : de leer van de sterktegraden, van het uiterste pianississimo (pppp) tot aan het krachtigste fortississimo (ƒƒƒƒ), met alle nuances die daartussen liggen.

forzato : ook: sforzato of sforzando, in de muziek aanduiding dat een toon of een akkoord plotseling moet worden versterkt, aangegeven met de afkorting sf of sfz of met het teken > of Ú. De versterking van een reeks tonen heet rinforzando.

improvisatie : het gelijktijdig ontwerpen en uitvoeren van een muziekstuk.

interval : de afstand tussen twee tonen die gelijktijdig of na elkaar klinken, gebaseerd op een diatonische reeks. Het interval tussen twee tonen van gelijke hoogte heet prime, dat tussen twee naast elkaar liggende tonen secunde, dat van de 1ste tot een 3de toon terts, van een 1ste tot een 4de kwart, en zo verder: kwint, sext, septime, octaaf, none, decime, undecime, duodecime, enz. Betrekt men ook halve tonen in de beschouwing, dan kan men ieder interval in verschillende grootten brengen. Men gebruikt daartoe de termen: verminderd, klein, rein, groot en overmatig.

intonatie :
a.
de aanhef op de juiste toonhoogte van een melodie en het zuiver treffen van de juiste intervallen;
b.
in de gregoriaanse kerkzang het zingen van de aanhef door de voorzanger;
c.
korte inleiding op een gezang om de toonaard voor het inzetten daarvan aan te geven;
d.
de regeling van de klank van instrumenten, in het bijzonder van orgel(pijpen), piano en klavecimbel.

kruis : het teken #, een zgn. voorteken, waardoor de noot waarvóór dit teken is geplaatst, met een halve toonschrede wordt verhoogd.

maat : in de muziek de samenvatting en groepering van een aantal teleenheden tot een metrische eenheid. In de notatie is de maat de ruimte tussen twee maatstrepen (verticale lijnen in de notenbalk). Het aantal teleenheden wordt aangegeven door het maatteken, meestal door een rekenkundige breuk (bijv. 3/4-; noemer = maateenheid; teller = het aantal van deze eenheden per maat) of door C (= 4/4-maat), ¢ (= 2/2-maat).

melodie : een reeks tonen die door een typerende rangschikking naar toonduur en toonhoogte een eigen karakter heeft verkregen en volgens de heersende muzikale opvattingen tot een organische eenheid is afgerond. Melodieleer is de leer van de melodische bouw en wordt in de muziekleer meestal in de harmonie-, contrapunt- en compositieleer behandeld.

melos : (v. Gr., = melodie, gezang), rangschikking van tonen in de tijd, los van het verband met ritme en vorm. Het is een ruimer begrip dan melodie, een verschijnsel dat voor het westerse muziekbegrip van na de middeleeuwen ondenkbaar is, zonder de inwerking en medewerking van ritme, harmonie en/of contrapunt.

modulatie : de overgang, binnen een muziekstuk, naar een andere toonsoort. Deze overgang wordt bewerkstelligd door akkoorden die tot de oorspronkelijke toonsoort behoren te interpreteren als stonden zij in een relatie tot de andere toonsoort. Men onderscheidt een diatonische, een chromatische en een enharmonische modulatie. Deze drie vormen verschillen van elkaar door de rangschikking van de bastonen van de elkaar opvolgende akkoorden die de modulatieweg van de eerste naar de uiteindelijke toonsoort bepalen.

modus : term met verschillende betekenissen:
a. kerktoon
b. De ritmische modus werd, in de overgangsperiode tussen de vrije gregoriaanse ritmiek en de in het notenschrift uit te drukken mensurale ritmiek, ca. 1200 in de polyfonie ingevoerd. Men onderscheidde gewoonlijk zes ritmische modi, herkenbaar aan de opeenvolging van ligaturen (notencombinaties) in de onderstem, en ontleend aan de antieke metriek.

mol : het teken $ dat de chromatische verlaging van een toon met een 1 toon aangeeft.

muzieknoot : een teken waardoor hoogte en duur van een (muziek)toon zichtbaar worden gefixeerd

muziektheorie, ook muziekleer, wetenschappelijke discipline die de verschillende facetten van de muziek onderzoekt: de fysieke eigenschappen van het toonmateriaal, de muzikale ordening van dit materiaal (toonsystemen, toonladders, samenklanken e.d.), de klankbronnen (instrumentenleer, organologie), en ook de problemen van de muzikale waarneming (esthetiek, psychologie, sociologie). De muziektheorie is een onderdeel van de muziekwetenschap of musicologie.

obligaat : (It.: obligato), een instrumentale stem in een muziekstuk die essentieel tot de compositie behoort, dus niet weggelaten kan worden zonder dat men daardoor afbreuk doet aan het karakter van de compositie, bijv. aria's van Bach met obligaat viool, fluit of hobo. Het tegenovergestelde van obligaat is ad libitum.

octaaf : de achtste toon in de diatonische toonladder, tevens het interval gevormd door deze toon en de eerste (bijv. de afstand c-c1), bestaande uit zeven secundes.

p : betekent piano ( is zacht )

parafrase : de vrije bewerking van een of meer thema's of composities in de vorm van een instrumentale fantasie.

parodie : het bewerken van bestaand materiaal tot nieuwe composities. De parodie kwam voor vanaf de 15de eeuw en werd druk beoefend tot en met Bach en Händel.

prime : het interval dat wordt gevormd door twee tonen van gelijke hoogte (bijv. c–c, in dat geval zuivere prime genoemd), of door een toon en een andere toon die daar chromatisch van is afgeleid (bijv. c–cis of c–ces, resp. overmatige en verminderde prime).

punt : een teken dat:
a.
achter de noot geplaatst deze verlengt met de helft van haar waarde,
b.
boven of onder de noot geplaatst aangeeft dat de noot staccato gespeeld dient te worden, en
c.
(in oude muzieknotatie) in een cirkel of halve cirkel geplaatst de verdeling van de semibrevis in drieën aanduidt.

refrein : een enige malen terugkerend gelijkblijvend thema dat door andere thema's wordt afgewisseld. Het komt vooral voor in liedvormen (dansliederen, minneliederen) van de 12de tot 16de eeuw, met name in de Franse muziek (rotrouenge, ballade, virelai en rondeau). In later tijd werd het refrein in de vocale muziek gebruikt in de Italiaanse solocantate (17de eeuw), in de liedachtige delen van de opera (opéra-comique) en in het kunstlied tot in de 19de eeuw (Schubert, Vier Refrain-Lieder). Een instrumentaal refrein in een vocaal werk wordt wel ritornel genoemd; in de zuiver instrumentale muziek komt het refrein in de rondovorm voor.

seconde : de tweede toon van een diatonische toonladder; meer algemeen: een interval tussen twee opeenvolgende tonen in een diatonische toonladder.

sext : de zesde toon in de diatonische toonladder, alsmede het interval dat wordt gevormd door deze toon en de daaronder liggende grondtoon (bijv. C–A).

strofe : minder gebruikelijke benaming voor couplet. Een couplet is in de vocale muziek de aanduiding van de verschillende onderdelen van het zogenaamde strofelied, waarbij elke tekststrofe op dezelfde melodie is gecomponeerd.

syncope : (v. Gr. sunkopè = samentrekking), de verplaatsing van het metrische accent van een zwaar naar een licht maatdeel, eventueel door samentrekking van een zwaar maatdeel met een licht. De syncope komt in de West-Europese muziek reeds in de middeleeuwen voor. Vooral in de jazz wordt veel gebruik gemaakt van dit ritmische effect (ragtime wordt wel syncopated music genoemd).

terts : een interval tussen twee tonen die in een diatonische toonladder een afstand van drie toontrappen vormen, bijv. c–e (grote terts) of c–es (kleine terts). Toonladders worden gewoonlijk naar de kenmerkende terts genoemd.

toon : een geluid met een in hoofdzaak onveranderlijke trillingstijd. De geluidstrillingen moeten worden opgewekt door middel van de menselijke stem, een muziekinstrument of een elektronisch instrument. De toon wordt bepaald naar toonhoogte en naar soortelijke klank of timbre, welke afhangt van de meeklinkende zgn. bovenharmonische, zachte, nauwelijks met het oor waarneembare tonen, die in een bepaalde verhouding tot de grondtoon staan en bijv. het typische verschil tussen de klank van de viool en een fluit veroorzaken.
 

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009