header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Olivier Messiaen

 

 
   



 



Messiaen, Olivier (Eugène Prosper Charles)

(Avignon 1908 - Parijs 1992)


Frans componist en organist. Messiaen studeerde van 1919 tot 1930 aan het Parijse conservatorium, o.a. bij Marcel Dupré (orgel) en Paul Dukas (compositie). Tijdens zijn studiejaren ontstonden o.m. de Préludes voor piano (1929). In 1931 aanvaardde hij de functie van organist aan de Église de la Sainte-Trinité te Parijs. Belangrijke werken uit de daaropvolgende jaren zijn l'Ascension voor orkest (1932; 1933 versie voor orgel) en La nativité du Seigneur voor orgel (1935). Sterk in de belangstelling kwam Messiaen door de activiteiten van La Jeune France (1936), een groep van vier componisten (Messiaen, Jolivet, Lesur en Baudrier), die tegen de abstractie in de muziek en voor een humaniseren ervan ageerden. In deze tijd ontstonden de liederencycli Poèmes pour Mi (1936) en Chants de terre et de ciel (1938), en het orgelwerk Les corps glorieux (1939). In krijgsgevangenschap van 1940 tot 1942 schreef hij zijn Quatuor pour la fin du temps voor viool, klarinet, cello en piano (1941).

Na zijn terugkeer in Parijs werd hij benoemd tot leraar aan het conservatorium. Daarmee was de opmaat gegeven tot de grote faam die hij zich als pedagoog - ook door buitenlandse cursussen - verwierf; Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen, Iannis Xenakis en vele anderen hebben zijn lessen gevolgd. Twee omvangrijke pianocycli, Visions de l'amen (1943, voor 2 piano's) en Vingt regards sur l'enfant Jésus (1944), rekenden met de fenomenale techniek van zijn leerlinge en later echtgenote, de pianiste Yvonne Loriod.

Veel opschudding in het Parijse muziekleven bracht de uitvoering in april 1945 van Trois petites liturgies de la présence divine teweeg, in 1944 geschreven voor vrouwenkoor, piano, Ondes Martenot en orkest; gedurende enkele jaren hield `le cas Messiaen' de gemoederen intensief bezig.

Het nieuwe in Messiaens kunst betrof de verbinding tussen muziek en theologie, tussen nieuwe toonreeksen en kleurervaringen, tussen Oud-Griekse, westerse en Indiase ritmiek. Zijn stijl bevat de meest uiteenlopende stijlkenmerken, van gregoriaans via Stravinsky tot Indiase en Peruaanse folklore. Een eigen karakteristiek ontwikkelde hij in het uit elkaar lopen van twee elementen door één constant te laten en het andere langzaam te wijzigen (ritmisch, melodisch en in intervallen).

Als reactie op de zgn. theologische composities concentreerde Messiaen zich in de eerste naoorlogse jaren intensief op de idee van een fatale menselijke liefde, welke in de geest van de Tristan-legende uitmondt in de dood. Harawi voor sopraan en piano (1945), de Turangalîla-symfonie voor piano, Ondes Martenot en orkest (1946-1948) en het koorwerk Cinq rechants (1948) behandelen dit thema. Nadien kwam het ritme, tot dan toe al een belangrijke factor in zijn werken, geheel centraal te staan. De pianowerken Cantéyodjayâ (1948) en Quatre études de rhythme (1949-1950), en de orgelwerken Messe de la Pentecôte (1950) en Livre d'orgue (1951) luidden deze periode in. Hoogtepunten zijn o.m. de drie grote vogelcomposities, resultaat van zijn jarenlang minutieus registreren van vogelgeluiden: Réveil des oiseaux (1953) en Oiseaux exotiques (1955), beide voor piano en orkest, en Catalogue d'oiseaux (1956-1958) voor piano. Verder de orkestwerken Chronochromie (1960), Sept haïkaï (1963), Couleurs de la cité céleste (1964), Et expecto resurrectionem mortuorum (1964) en Des canyons aux étoiles (1974), alsmede het oratorium La transfiguration de notre Seigneur Jésus-Christ (1965-1969) en de opera Saint François d'Assise (1975-1983).

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement