header componisten

 


 Worldwidebase start met een
eigen startpagina site ! Klik hier <<<<

 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Richard Wagner
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 

 

Wagner, (Wilhelm) Richard
(Leipzig 1813 - Venetië 1883)

Duits componist. Wagner schiep in zijn bewogen leven een aantal muziekdramatische werken die hoogtepunten in de operageschiedenis vormen. Nadat hij in zijn vroegste composities was uitgegaan van de traditionele, romantische opera, vond hij langzamerhand zijn eigen idioom in structuur, melodiebouw, harmonie en orkestratie. Daarbij schreef hij zelf de libretti, die de Germaanse volksaard sublimeren en structureel onverbrekelijk met zijn muziek verbonden zijn.

Enkele maanden na Wagners geboorte stierf zijn vader; in 1814 hertrouwde zijn moeder met de toneelspeler Ludwig Geyer (1779-1821), van wie niet uitgesloten wordt geacht dat hij Wagners echte vader was. Wagner bracht zijn jeugd in Dresden door, waar de componist Carl Maria von Weber (1786-1826) een huisvriend was die hij zeer waardeerde. In eerste instantie ging zijn scheppende belangstelling uit naar het theater. In 1828 schreef hij het omvangrijke treurspel Leubald und Adelaide. Vanaf datzelfde jaar kreeg hij regelmatig muziekonderricht, en ontstonden onder meer de symfonie in C (1832) en drie pianosonates.

Na de onvoltooid gebleven opera Die Hochzeit (1832-1833) schreef hij in 1833-1834 de opera Die Feen , op eigen libretto naar een verhaal van Carlo Gozzi (1720-1806), en in 1835-1836, naar Shakespeares Measure for measure , de opera Das Liebesverbot , waarvan hij in 1836 te Maagdenburg de première dirigeerde. In datzelfde jaar trouwde hij met de zangeres Minna Planer (1809-1866). In die periode manifesteerde zich al Wagners hang naar grotere luxe dan zijn financiën toestonden, hetgeen zijn levensloop sterk beïnvloedde. Zo gaf hij zijn redelijk betaalde post van operadirigent in Koningsbergen (1837) na een aantal maanden op vanwege zijn vele schulden, en vertrok hij naar Riga. In 1839 vluchtte hij weer en reisde als verstekeling van Hamburg naar Londen, met als reisdoel Parijs, waar Meyerbeer met zijn opera's furore maakte. De zeereis inspireerde hem tot de opera Der fliegende Holländer (1841, vnl. naar Heines versie van de legende). In Parijs trachtte hij door het maken van opera-arrangementen en het schrijven van artikelen in zijn onderhoud te voorzien, hetgeen niet altijd lukte: in 1840 voltooide hij zijn in Riga begonnen opera Rienzi in de gevangenis.

Toen Rienzi in 1842 in Dresden in première ging, durfde Wagner naar Duitsland terug te keren. In 1843 werd hij tot hofkapelmeester in Dresden aangesteld en begon een korte periode van betrekkelijke rust, waarin hij meerdere thema's kort na elkaar opvatte: in 1842 Tannhäuser (voltooid 1845), in 1845 Die Meistersinger von Nürnberg (pas gecomponeerd in 1862-1867) en Lohengrin (voltooid 1848), en in 1848 Siegfrieds Tod.

Wagners revolutionaire activiteiten noopten hem in 1849 uit Dresden te vluchten en via Weimar, waar hij in Liszt een verwante geest trof, ging hij naar Zwitserland. Daar wijdde hij zich aanvankelijk vooral aan theoretisch werk en ontstonden zijn bekendste geschriften: Die Kunst und die Revolution (1849), Das Kunstwerk der Zukunft (1850), Das Judentum in der Musik (1850; een waarschuwing tegen de verslappende invloed die de joden op de Germaanse geest zouden hebben) en Oper und Drama (1851). Hierin ontwikkelde hij een theorie van een allesomvattende kunstvorm, het Gesamtkunstwerk (een term die hij later weer verwierp), met - naar het voorbeeld van het Griekse drama - een totale integratie van alle elementen (tekst, muziek, visualisering). Hierin zou, mede door de keuze van mythologische onderwerpen, de ware Germaanse volksaard tot uitdrukking moeten komen, reden van de voorkeur van de nazi's voor Wagner.

Inmiddels was de tekst van Siegfrieds Tod uitgegroeid tot het laatste deel, Gotterdämmerung , van het vierdelige godendrama Der Ring des Nibelungen. In 1853 begon hij aan het componeren van het eerste deel, Das Rheingold , en werkte hij regelmatig door via het tweede deel, Die Walküre , tot halverwege het derde deel, Siegfried , waarna een lange onderbreking (1857-1865) volgde. Wagner had in 1854 kennisgemaakt met Schopenhauers werk, waarvan de ascetische levensvisie hem het thema van Tristan und Isolde ingaf. Vooral zijn verhouding met Mathilde Wesendonck (1828-1902) inspireerde hem bij het componeren ervan (1857-1859). Op vijf van haar gedichten schreef hij in 1858 zijn Wesendoncklieder voor zang en piano. Mathildes echtgenoot was in die jaren Wagners voornaamste geldschieter, die hij kwijtraakte toen zijn verhouding met Mathilde aan het licht kwam, waardoor tevens zijn vrouw gescheiden van hem ging leven. Na de voltooiing van Tristan werkte Wagner aan een herziening van Tannhäuser voor een Parijse uitvoering in 1861, waaraan 164 repetities voorafgingen.

De uitvoering werd een politieke aangelegenheid door de aanwezigheid van een groep anti-Duitsgezinden en de opera werd uitgefloten. Wagner verhuisde naar Wenen, waar hij probeerde Tristan op de planken te krijgen, wat niet alleen door de uitzonderlijk moeilijke Tristan-partij, maar ook door tegenwerking van de invloedrijke criticus Eduard Hanslick, mislukte. In 1864 moest hij weer voor zijn schuldeisers vluchten. Zijn redding kwam van de jonge Beierse koning Ludwig II (reg. 1864-1886), die Lohengrin had gehoord en in Wagner zijn ideaal zag. Ludwig liet hem naar München komen, waar in 1865 Tristan in première ging. Vooral op aandrang van de koning zette Wagner zijn werk aan de Ring voort, terwijl hij ondertussen ook aan Parsifal begon, waarvan de eerste schetsen al van 1857 dateerden.

Zijn politieke intriges noodzaakten hem in 1866 (het jaar dat zijn vrouw overleed) München te verlaten en hij vestigde zich in Triebschen bij Luzern. Daar voegde zich Cosima Liszt, dochter van Liszt en vrouw van de dirigent en Wagner-bewonderaar Hans von Bülow, bij hem. Uit hun verhouding werd in 1865 Isolde geboren, in 1867 Eva en in 1869 Siegfried. In 1870, na de scheiding van Cosima, trouwden ze. In Triebschen onderbrak Wagner zijn werk aan de Ring om Die Meistersinger te componeren, aan welke tekst hij in 1844 begonnen was. De première vond in 1868 onder Hans von Bülow plaats. Daarna voltooide hij in 1871 Siegfried; Siegfried Idyll (1870) is een orkestwerk over thema's uit de opera.

Kort daarop trok hij naar Bayreuth om daar het festivalhuis op te richten dat hij voor de Ring nodig achtte en waar ook zijn villa Wahnfried gebouwd werd. Hier voltooide hij in 1874 de Ring en in 1876 vond het eerste festival met de volledige Ring plaats.

In 1877 begon hij weer aan Parsifal , die hij in 1882 voltooide en die dezelfde zomer als `Bühnenweihfestspiel' in Bayreuth uitgevoerd werd. De rechten hiervan bleven tot 1913 uitsluitend aan Bayreuth voorbehouden. Wagner beschouwde Parsifal als de bekroning van zijn theaterwerk en wilde zich uitsluitend nog aan korte symfonieën wijden. Het kwam daar niet meer van door zijn slechte gezondheid, die hem de winters al enige jaren in Italië deed doorbrengen.

Hoewel Wagner diverse orkestwerken (naast de symfonie en de Siegfried Idyll , moet ook Eine Faustouverture uit 1840 genoemd worden), pianowerken en liederen schreef, dankt hij zijn bekendheid uitsluitend aan zijn muziekdramatische werken. In zijn eerste drie opera's volgde hij de toen door hem bewonderde componisten: Die Feen is een sprookjesopera in de traditie van Marschner en Weber, Das Liebesverbot een komisch-romantische opera naar het voorbeeld van Bellini, en Rienzi een grand-opéra in de stijl van Meyerbeer en vooral van Spontini. Door alles heen speelde Wagners bewondering voor Beethoven en in het bijzonder diens negende symfonie, die Wagner als het einde van het symfonische tijdperk bestempelde en als aanhef tot zijn Gesamtkunstwerk. De drie volgende opera's, Der fliegende Holländer, Tannhäuser en Lohengrin , kunnen ook nog als traditionele romantische opera's beschouwd worden, zij het dat Wagner daarin zijn eigen muzikale idioom min of meer gevonden had. Het grootste verschil tussen die werken en opera's van tijdgenoten is de melodieopbouw: in plaats van afgeronde muzikale onderdelen (nummer-opera's), liepen bij Wagner de onderdelen - voor zover nog aanwijsbaar - steeds meer in elkaar over (hij noemde dit `unendliche Melodie') en zocht hij de spanningswerking voornamelijk in de harmonische bouw.

In zijn latere werken is de harmonie (verwant met die van Liszts late werken) dan ook zeer karakteristiek. De muzikale samenhang is gebaseerd op een aaneenrijging van toonaarden en de spanning wordt bereikt door een uiterste aan chromatiek en harmoniek. De chromatiek van Tristan gaat zo ver dat het werk nauwelijks tonaal te noemen is (het voorspel bijv. laat geen enkele keer de tonica-drieklank horen) en gezien wordt als voorbode van Schönbergs atonaliteit. Een ander structuurelement is de verwerking van leidmotieven, die een bepaalde inhoud suggereren, meestal al in de instrumentale inleiding opgenomen en pas later expliciet aan die inhoud verbonden. Vooral in de Ring maakte Wagner een doorwrocht gebruik van deze techniek (die overigens, zij het veel minder uitgesproken, ook al in bijvoorbeeld Webers opera's voorkomt). Verder onderscheidt Wagner zich door zijn orkestgebruik.

Zijn opera's eisen een grotere bezetting dan toen gebruikelijk (om de zangers het orkest te laten overstemmen, plaatste hij in Bayreuth het orkest in een verzonken orkestbak). Die grotere bezetting, met vaak ongebruikelijke instrumenten en voor de Ring zelfs een nieuw instrument, de Wagnertuba (die het midden houdt tussen een waldhoorn en een contrabastuba), gebruikte hij zeer effectief voor een uitgekiende orkestratie, dikwijls met de melodie opgedeeld over verschillende instrumenten (Melodieteilung), en een uitgebalanceerde, haast polyfone spreiding van de verschillende begeleidingsstemmen over het hele orkest.

Voor de kennis van Wagners leven en denken is in het bijzonder zijn autobiografie Mein Leben (1870) van belang, in een sterk gewijzigde vorm gepubliceerd door Cosima Wagner, die een grote rol speelde in de Wagner-cultus. Siegfried Wagner (1869-1930), die ook opera's op eigen teksten schreef, was o.a. regisseur en dirigent van de jaarlijkse, aan Wagner gewijde Bayreuther Festspiele. Diens zoons Wieland en Wolfgang Wagner waren eveneens nauw bij Bayreuth betrokken, in het bijzonder sinds de heropening na de oorlog in 1951. Tot 1965 werkten zij beiden aan de ensceneringen (Wolfgang ook decorontwerpen) en regisseerden zij, waarbij vooral Wielands visie stof deed opwaaien door zijn lichtregie en zijn pogingen de psychologische ontwikkelingen in de enscenering aanschouwelijk te maken, onder invloed van Jungs dieptepsychologie.

 
   

footer componisten

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement