








 |
LAND VAN
HERKOMST : Tsjechië
GESCHIEDENIS
De Cesky Fousek ( of Tsjechische Pointer ) behoort tot de rassengroep van de Continentale Staande Honden
van het Griffontype. De geschiedenis van de Cesky Fousek heeft zijn start in de Middeleeuwen, in het
Koninkrijk van de Bohemen. Er zijn echter veel verhalen over het ontstaan in omloop, maar niet allemaal even
goed gedocumenteerd. Dit ras stond aanvankelijk bekend als de 'Bohemian Water Dog' en 'Bohemian Whirehead
Pointer'. Deze honden werden vooral voor de jacht gebruikt vanwege hun karakter, scherpte, uithoudingsvermogen
en snelheid, en niet te vergeten hun vacht. De honden waren goed te trainen. In deze tijden bestonden geen
andere draadhaar jachthonden, zodat dit ras vrij populair werd in Europa. Later zou dit ras bekend
worden onder de naam Cesky Fousek. Omdat het ras werd gebruikt voor het fokken van andere draadhaar honden,
lijkt de Cesky Fousek aan de wieg te hebben gestaan van andere rassen die later ontwikkeld werden. Maar de
geschiedenis van de moderne Cesky, zoals we die nu kennen, heeft een triest begin. Aan het einde van de
Eerste Wereldoorlog was dit ras bijna uitgestorven. In 1924 werd derhalve een vereniging opgericht om het ras
te redden van uitsterven. In 1931 werd de rasbeschrijving opgesteld. Er werd hard gewerkt aan de wederopbouw
van dit ras, onder strenge eisen. Alle eisen en beslissingen over teven en reuen die al dan niet geschikt
waren voor de fok werden nauwkeurig bijgehouden. In 1958 werd de Cesky Fousek officieel erkend door de FCI.
Hij kan voor vele doeleinden worden gebruikt, onder andere voor de jacht, voor gedrag- en
gehoorzaamheidstrainingen en als servicehond voor auditief en/of motorische gehandicapten. Deze Cesky
is een middelgrote, ruwharige jachthond.
IDEALE RASKENMERKEN
Hoofd : tamelijk langgerekt, smal en droog. De voorsnuit is iets langer dan de schedel, de neusrug is
licht gebogen, matige stop. Donkerbruine neusspiegel, droge lippen. Krachtige kaken. De bovenschedel is licht
gewelfd. Goed aangeduide wenkbrauwen. Ogen : amandelvormige openingen; vriendelijke en oplettende uitdrukking.
De ogen liggen tamelijk diep in de schedel en hebben een donkere barnsteenkleur. Droge, zwarte gepigmenteerde
oogranden. Oren : direct boven de ogen aangezet, hangend, middelmatig lang, breed bij de aanzet, met afgeronde
toppen. Gebit : schaargebit. Hals : middelmatig lang, gespierd, droog en licht gebogen. Lichaam : goede
botten; ovale, ruime borstkas; goed ontwikkelde voorborst en gewelfde ribben. Middellange rug, recht en
stevig, en licht hellend van schoft tot staartaanzet. Licht gewelfde lendenpartij en iets opgetrokken
buiklijn. Ledematen : goede botten, goed gespierde en goed gehoekte voorhand, goed gehoekte achterbenen met
goede musculatuur. Voeten : goed gesloten, met sterke voetzolen. Staart : aangezet in het verlengde van de
ruglijn. Wordt in het land van herkomst gecoupeerd. Kleur : schimmel met of zonder bruine vlekken; bruin
met gemeleerde aftekening of helemaal bruin. De schofthoogte bedraagt bij reuen 60 tot 66 cm en bij teven 58
tot 62 cm. Het gewicht bedraagt voor reuen 28 tot 34 kg en voor teven 22 tot 28 kg. De gemiddelde
levensverwachting ligt rond de 12 à 13 jaar.
VACHT
Vacht : ondervacht en dekhaar. Het dekhaar is 3-7 cm lang. De ondervacht moet fijn en dicht zijn, het
dekhaar grof en ruw. Op het hoofd is het haar fijner, maar borstelige wenkbrauwen en een baar moeten aanwezig
zijn. De vacht moet regelmatig geplukt worden. Hiermee wordt de kwaliteit van de vacht behouden. Tussen
de plukbeurten door moet de vacht regelmatig geborsteld worden.
AARD : de Cesky Fousek is zeer gehecht aan zijn baas en familie. Binnenshuis is hij een rustige gehoorzame
huishond. Hij heeft een zacht karakter, is vrolijk, intelligent, waaks en zeer goed opleidbaar. Vanwege het
jachtinstinct kunnen andere huisdieren problemen geven.
ACTIVITEIT : deze hond heeft heel veel beweging nodig. Dit kan door dagelijks lange wandelingen te maken
of door met de Cesky Fousek te gaan sporten, zoals behendigheid en flyball. U kunt ook overwegen om met de hem
te gaan jagen. |
|
|
|